Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
777
men de einden c en rf (zie fig. 4^7) digt bij elkander brengt, ziet men hieruit
vonken springen, zoodra de einden a en b de kelen sluiten of openen. Heeft
men aan de einden c en d holle koperen cilindertjes gesoldeerd, en neemt men
in elk der vooraf bevochtigde handen een van deze, zoo krijgt men bij het
openen en sluiten van den hoofdstroom een' schok, die des te sterker is, naar-
mate de op de klos gewondene draad langer is. Men kan zelfs, met behulp van
de alzoo opgewondene draden, zeer hevige werkingen op de zenuwen voort-
brengen. Zoo de draad e d slechts eene zeer groote lengte heeft, is de sterkte van
den geïnduceerden stroom aanmerkelijk veel sterker dan van den hoofdstroom.
Zelfs eene batterij van 4* 6 tot 12 paren geeft bij opening of sluiting geenen
slag; sluit men echter met den hoofddraad slechts een enkel element, zoo ver-
krijgt men in den nevendraad eenen krachtigen stroom. Men ziet hieruit, dat
de draadwindingen, in welke de stroom hij inductie wordt opgewekt, hetzelfde
op den stroom uitwerken, wat een grooter aantal platen er op te weeg brengt;
beide maken de spanning des strooms grooter. Het is niet noodig, de beide
draden, zooals in fig. 4^7 is aangenomen, naast elkander te leggen; zij kunnen
ook op onderscheidene afzonderlijke klossen gewonden zijn (zie fig. 4^8), die
, ^ verschillende dikte hebben. De
Fin. 408. ^ , .
holte in A moet zoo groot zijn,
dat de klos B er kau ingeschoven
worden. Steekt men nu den klos
B in A, en verbindt men de ein-
den c en d van den draad op A
met den galvanometer , terwijl
men de einden a eu 6 van de
winding op B aan de polen eener
galvanische batterij bevestigt, zoo
toont de galvanometer oogen-
blikkelijk het ontstaan van een*
stroom in de <lraadwinding A.
Beweegt men den klos li, terwijl
a b altijd den stroom blijft stuiten,
uit en in den klos A, zoo openbaren zich ook de in tegenovergestelde rigting
zich bewegende inductie stroomen, waardoor de tweede wet (zie bladz. 775)
tevens bewezen is.
Om met zulk eene inrigting de werking op het menschehjk of dierlijk ligchaam,
die men physiologische werking noemt, regt voelbaar te maken, moet men het
openen en sluiten van den stroom in 5 zeer snel op elkander doen volgen. Dit
nu kan geschieden, of door de toestellen, die in fig. 4^7, 4^0 en 4^1 zijn
afgebeeld, ofop de zeer eenvoudige wijze, welke fig. 4^9 aanschouwelijk maakt.
A stelt de beide in elkander gestokene klossen voor; c en d zijn de einden van
den hoofddraad, en a 6 de met holle, cilindervormige, metalen handgrepen voor-
34