Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.773
Fuj 494.
polen worden omgekeerd, als dit geschieden ka», door het verwisselen van de
poleti eens magneets, die aan het einde b wordt gehouden.
Op het zelfde beginsel hernst het rad van Barlow (zie fig 4^4)- « « verbeeldt
een stervormig kope-
ren radertje, welks sta-
len as rust in de uit-
einden van eenen kope-
ren vork 6, die door
een' geleider e op een
plankje /» is bevestigd.
De punten van het
radertje a reiken even
onder de oppervlakte
van het kwikzilver,dat
in eene ondiepe groeve
c d van het plankje fi
is begrepen. Ter wederzijde van het kwikzilver liggen de beenen van een' hoef-
magneet m. Het kwikzilver is door een' draad met het klemschroelje 2, en de
vork, en dus ook het rad a, geleidend met de schroef i verbonden. Dompelt men
nu een der punten van a iu het kwik, en verbindt men de schroefjes 1 en 2 met
de polen eener batterij, die niet sterk behoeft le zijn, dan is de stroom gesloten;
de tand vanhet rad, waar langsde stroom gaat, stelt nu een bewegelijken stroom
geleider voor, die door beide de polen des magneets wordt voortbewogen, en het
rad begint dus te draaijen. Gaat de stroom van het middelpunt van hel rad a
naar zijn' omtrek, terwijl de noordpool des magneets bijvoorbeeld aan de west-
zijde, en de zuidpool aan de oostzijde ligt, dan draait het radertje in de rigting
van den uurwijzer, wiens wijzerbord naar het oosten is gerigt; want aan de
beide zijden des magneets, die het digtst aan het rad liggen, gaat alsdan de
stroom om den hoef benedenwaarts, loopt dus evenwijdig aan dien in den tand
vanhet rad, en er treedl derhalve aantrekking op. Keert men den magneet of den
yi(j. 495. stroom om, zoo grijpt het draaijen in eene tegengestelde rig-
ting plaats.
Men kan ook omgekeerd den magneet om eenen galvani-
schen stroom doeu draaijen. Fig. 4^5 geeft de wijze aan,
waarop men deze proef kan inrigten Een glazen val vv is
tot aan den metalen rand m met kwikzilver gevuld; een
cilindervormige magneet ab, door een stuk platina p be-
zwaard, staat loodregt in het kwikzilver overeind, zoodanig,
dut hij nog eenige weinige strepen boven de kwikvlakte uil-
reikt. Een staafje t, dat men door middel eener schroef
hooger en lager kan plaatsen, duikt even met het onder-
einde ouder het kwik, terwijl het hij c met de pool der