Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.764
bewegelijk is en zich naar welgevallen van rigting kan veranderen? Hiertoe
heeft Ampère het volgende hoogst vernuftige middel ontdekt.
Fig, 477 stelt twee loodregt staande geelkoperen staven v en «voor, die
l'ig. 477.
op een houten voet bevestigd
zijn; boven aan dragen zij twee
horizontale armen, aan de einden
voorzien van bakjes x en ij voor
kwikzilver, welke juist onder
elkander liggen. De beide armen
raken elkander niet, of mogten zij
dit kunnen doen, dan zijn zij op
de plaats der aanraking met
eene isolerende vernislaag bedekt.
Worden nu de staven v en t van
onderen met de pooldraden van
een galvanisch element, hetzij
door klemschroeven en openingen in die staven, of met kwikbakjes verbon-
den, zoo stellen de kwikbakjes x en ij de einden des draads voor. In deze
bakjes worden nu de einden van eeu koperdraad gehangen, die gebogen is
zooals fig. 4*78 of 479 aangeeft. Daar, waar de draadeinden het digtst bij

IjlMSfiiimMIDillilDÜIIÜUillj
Fig. 47B.
Fig. 479.
elkander liggen, of elk-
ander zouden kunnen
raken , zijn zij weder
door eene laag zijde ge-
scheiden. Zij zijn van
boven van stalen pun-
tjes voorzien, die in
de kwikbakjes x en
y gedompeld worden.
Een dezer punten reikt
tot op den bodem van
het bakje y en rust daar op een glazen plaatje, teu einde weinig wrijving bij
het omdraaijen te ondervinden, zoodat de draad daardoor zeer bewegelijk blijft.
Laat men nu een' stroom door den draad O ÏV gaan, zoo draait deze zich om,
en blijft altijd, na weinige schommelingen in ééne en dezelfde rigting in rust; en al
brengt men hem ook uit deze rigting, hij keert er telkens weder iu terug. Keert
meu den stroom om, dat wil zeggen, brengt men den pooldraad, die met de staaf
V in verbinding stond, met t in aanraking, en dien, welke aau de staaf t ver-
bonden was, met v, dan maakt ook aanstonds de draad eene halve omdraaijing,
en blijft dan weder stil hangen. In beide evenwigtsstanden staat de draad zoo-
danig, dat het vlak, hetwelk men zich verbeelden kan er door te gaan, loodregt
staat op den magnetischen meridiaan; zoodat de linker- en regterzijde van den