Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.746
groote afstanden van den seingever waren geplaatst, en wisten, door ver-
binding der afwijkingen, welke deze naalden bij afwisseling ondergingen,
door teekenen hunne gedachten uit te drukken. Onze landgenoot Vorsselman
de Heer vond eene telegraaf uit, die door aandoeningen van het menschelijk
ligchaam, door den stroom te weeg gebragt, die langs verschillende draden
werd geleid, de tijding moest kenbaar maken. Tegenwoordig echter wordt
algemeen de opwekking en het doen verdwijnen der magneetkracht in het
weeke ijzer, bij de oprigting der electrische telegraphen, toegepast, en van
al de inrigtingen van dezen aard zullen wij slechts die van Logeman en
Morse vermelden, te meer daar wij hoop hebben, om uitsluilend deze weldra
in ons land te zullen werkzaam zien. Wij beginnen met den telegraaph van
Logeman, waarvoor hij in den jare 1846 octrooi verkreeg.
In een mahonijhouten kastje T (zie fig 465) zijn twee vertikaal geplaatste
hoefijzervormig gebogene staven van week ijzer A en B bevestigd, welke beide
op de bekende wijze omwoeld zijn met vele lagen rood koperdraad, dat met
zijde omsponnen is. Deze omwindingen, voortgebragt door een' enkelen draad,
die, zooals het draaddeel b b'ook aantoont, van deneenen hoef naar den
anderen overgaat, zijn zoodanig om de beide hoeven gelegd, dat, wanneer
er een galvanische stroom wordt doorgeleid, de tegenover elkander liggende
polen van de beide alsdan tot electromagneten gewordene hoeven, altijd on-
gehjknamig zijn, dat is, dat de noordpool vau den eenen zich tegenover de
zuidpool van den anderen bevindt, en omgekeerd.
Tusschen de beide electromagneten A en B hangt een stalen Staate C, dat
blijvend magnetisch is. Leidt men dus een' stroom door de omwindingen der
beide hoeven, in de rigting van 6' naar b, en zijn de poleu van het staal-
magiieetje C, die natuurlijk eene onveranderlijke stelling met betrekking tot
elkander behouden, in dat geval, ongelijknamig roet de daar tegenoverliggende
polen vau den electromagneet A, dan zijn de polen van het staafje C natuur-
lijk gelijknamig met de tegenover haar liggende polen van den electromagneet
B. Wat is nu hiervan het gevolg? — het Staate C wordt door A aangetrok-
ken en door B afgestooten, zooals het ook in de figuur is aangegeven. Keert
men den stroom echter om, leidt men dezen van b naar 6', dan keeren ook
de polen der beide hoeven om, en het staalmagneetje C wordt nu door A af-
gestooten en door B aangetrokken.
Door het gedurig verwisselen van den galvanischen stroom wordt derhalve
aan het staafje C eene heen- en wedergaande of slingerende beweging gege-
ven. Aan dat staafje is eene langere stang d verbonden; beide draaijen geza-
mentlijk om eene as in n, die door een geelkoperen, regthoekig omgebogen
plaatje p gedragen wordt. Door de beweging van het magneetje C gaat dus
het Staate d naar de regterzijde, wanneer C door den hoef ter linkerzijde wordt
aangetrokken, en omgekeerd. Deze heen- en wedergaande beweging van het
stangetje d voert ook regts en links een horizontaal liggend staaQe e, waar-