Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.732
gebragt met bet kwikbakje 6, dat weder in bet voetstuk is gemaakt; bet andere
kwikbakje e is op dezelfde wijze door een' koperdraad <? o r ^ met het kwik in
de holte ^ geleidend verbonden. De beide half cirkelvormige bakjes c en c, die
als het ware slechts één bakje vormen, dat door twee middelschotjes in twee
bakjes gescheiden is, zijn zoover met kwikzilver gevuld, dat het bolvormig
oppervlak, hetwelk dit metaal vormt, e\en boven het oppervlak van het plankje
uitsteekt, zoodat de draden, die aan de polen van den hoef C D verbonden zijn,
en waarvan er een in elk bakje is gedompeld, bij de omwenteling van den hoef
CD, over de beide middelschotjes kunnen heenschuiven, maar toch, na deze te
zijn voorbijgegaan, weder de kwikoppervlakte kunnen raken. Eindelijk is nog
het kwikbakje b met een ander a, door middel van een geheel op zich zelf
staand strookje koper, verbonden, waarvan men zoo aanstonds de bestemming
begrijpen zal Al het hout is met eene tamelijk dikke laag vernis bedekt, en
vooral is dit het geval in de kwikbakjes.
Laat nu in het kwik k de positieve en in a de negatieve pooldraad vaneen
tamelijk krachtig galvanisch element gedompeld worden; dan treedt de posi-
tieve stroom langs den draad k i bij n in de omwindingen van den hoef J B,
en verlaat dien bij z, verder langs den draad hg voortgaande; laat de stroom
nu bij n eene noord- bij s eene zuidpool vormen. Verder klimt hij langs den
draad g ro op, treedt vervolgens in het kwikbakje e, uit dit in de omwindingen
van den hoef C /), verlaat dezen bij r, en wij nemen nu aan, dat daardoor in
den bovensten hoef bij n' eene noord- en bij z' eene zuidpool gevormd is. Daarna
komt de stroom in het kwikbakje c, daalt af langs den draad m6, gaat van
daar op het kwik a over, en blijft zoo voortdurend in omloop. Dewijl nu in de
stelling , welke men in de figuur den hoef gegeven heeft, de gelijknamige polen
n en n', z en z" zich nabij elkander bevinden, zoo stooten zij elkander af, en
de hoef CD geraakt in beweging naar die zijde, welke door het pijltje is aan-
gewezen; doch door de weinige wrijving, die hij op de spil ondervindt, worden
de polen n' en z' iets verder omgevoerd dan het vierde gedeelte eens cirkels;
dien ten gevolge komen zij in de nabijheid van de met haar ongelijknamige polen
z eu n des vastliggenden hoefs, deze polen trekken dus elkander slerk aan, maar
ten gevolge dezer aantrekking en de eigenschap der traagheid, wordt het pool-
einde z' even voorbij n en het pooleinde n' even voorbij z gevoerd; daardoor
schuiven de draadeinden, die bij deu hoef CD afhangen, over de bekende mid-
delschotjes heen, dompelen nu in andere kwikbakjes, en oogenblikkelijk gaat
ook de pool z' in noord- en de pool n' in zuidpool over. Op nieuw stooten nu
de hoefeinden elkander af, en alles staat nu dus weder als in den aanvang.
De gedurige omkeering der polen bewerkt derhalve eene onafgebrokene, voort-
durend draaijende beweging.
Legt men het einde b van het koperdraad ba in hel bakje en ligt men
tegelijk het uiteinde g van den draad hg, uit g, en plaatst het in 6, dan zal de
hoefin de stelling, welke de figuur aangeeft, in eene tegenovergestelde rigting