Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
steekt men haar bij e op deu cilinder 6, dan zal door eeue regtsche draaijing
de draad op den koperen cilinder worden gewonden. Leidt men nu door mid-
del van eenen draad c den electrischen stroom door x, dan gaat hij, wanneer
de draad geheel op den houten cilinder ligt, op de veêr n over, van daar op d,
doorloopt den schroefvormigen, op het hout gewondenen en dus geïsoleerden
draad volgens zijne geheele lengte, gaat dan bij e op den messingcilinder b
over, doorloopt dezen tot aan de veêr m, en daalt in de schroef z, om langs r
terug te keeren. Is nu J de batterij, B de tangenten boussole, bovenop gezien,
c en n de draden, die door dezelfde letters in fig. 4^4 worden aangeduid, dan
wyzen de pijltjes de rigting vau deu stroom aan, en de schets maakt aanschou-
welijk, hoe het mogelijk wordt, om met de tangenten boussole B de afwijking
af te lezen, die de geheele draad veroorzaakt. Windt men nu eeu derde van
den draad op den cilinder 6, zoo heeft de electrische stroom slechts twee derde
van den tegenstand in den messingdraad te overwinnen, dewijl de draad, bij s
den cilinder rakende, den stroom in staatstelt, om daar op den cilinder 6 over
te gaan en de derde punt van den draad, van s tot c, onaangedaan te laten lig-
gen. Neemt men nu aan, dat iedere draadwinding den tegenstand 1 biedt, en
dat de draad 100 windingen heeft, zoo zal die tegenstand 60 zijn, als er 40 op
den metdien cilinder B liggen, enz. Het getal windingen leest men af op de
schaal v w, die tusschen de beide rollen ligt. Het gedeelte van eene winding
geeft de wijzer bij p aan, die op de as is bevestigd. Wil men den tegenstand ver-
grooten, zoo windt men den draad op den houten, verminderen, op den meta-
len ciHnder. Om groote tegenstanden te meten gebruikt men nieuw zilverdraad,
voor mindere tegenstanden messingdraad.
Het zal geene verdere aanwijzing behoeven, hoe men op deze wijze in staat is,
om ook draden van verschillende metalen in te schuiven, en op welke wijze men
den stroom door buizen, waarin vochten zijn begrepen, kan doen heengaan en
alzoo de geleidbaarheid der vochten bepalen.