Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.686
ook daar naar de linkerzijde afwyken. Houdt meu dus bij dat regtopstaande
draaddeel de naald links van den draad of het beeldje, dan zal de noordpunt
door den draad afgestooten worden, en brengt mende naald regts van den draad
dan zal zij worden aangetrokken. Wij kunnen alzoo uit de ligging van een sluit-
draad met betrekking tot de magneetnaald, en uit de rigting, waarin de noord-
pool der naald wordt afgestooten, tot de rigting van den positieven stroom be-
sluiten.
De schuine stand, dien de naald verkrijgt teu opzigte van den horizontaal
loopenden stroom, is een uitwerksel van twee krachten; namelijk vati de aard-
magneetkracht, en van de afstootende kracht, die van den sluitdraad uitgaat.
Ziedaar het beginsel, dat bij de zamenstelling der beide te noemene werktui-
gen ten grondslag ligt. De eerstgenoemde kracht tracht de naald in den mag-
netischen meridiaan te houden; de tweeden. 1. de horizontale, in den magne-
tischen meridiaan bewegende stroom, tracht de naald een vierde van eenen cir-
kel te doen omdraaijen, en haar alzoo loodregt op den magnetischen meridiaan
of de rigting van den draad te stellen; met andere woorden, de stroom tracht
de naald in de streek van het oosten naar het westen te voeren. Dien tengevolge
neemt de naald, onder den invloed dier twee krachten, eene rigting aan, die
tusschen deze beide streken invalt. De naald zal een' hoek met den magneti-
schen meridiaan maken, die des te grooter wordt, en dus zoo veel te meer een'
regten nabij komt, hoe grooter de magnetische kracht van den stroom is, in
vergelijking van de magnetische kracht der aarde.
Even als men het afstootend vermogen, dat de gelijksoortig electrische ligcha-
men op elkander uitoefenen, tot grondslag genomen heeft bij de zamenstelling
van electrometers, zoo heeft men de afstooting van de polen der magneetnaald
door den galvanischen stroom, tot grondslag genomen bij de inrigting der gal'
vanometers, of die werktuigen, welke dienen om de hoegrootheid der uitwerking
te meten van den galvanischen stroom.
Wij beginnen met den multiplicator, een werktuig dat door Schweigger uitge-
dacht is en dat dient om zwakke stroomen te meten.
Verbeeldt u, dat de sluitdraad van eenen galvanischen toestel zoodanig is om-
gebogen, dat hij een langwerpigen regthoek <7 ro n vormt (zie fig. 420), eu
laat die draad in het vlak van het papier gelegen zijn.
Fig. 420. Neemt aan, dat er zich eene magneetnaald ab tusschen
de draden bevindt, die in een horizontaal vlak zich be-
^ wegen kan, dat a het zuideinde, en b het noordeinde
I van de naald is, en dat de stroom den weg volgt, die
* door de pijltjes is aangewezen. Nu kan het uit de ver-
klaring, die bij fig. 419 gegeven is, niet moeijelijk val-
len, om in te zien, dat de stroom in elk gedeelte van den draad op dezelfde wijze
afwijkend op de naald moet werken, en haar met het noordeinde 6 naar voren,
boven het vlak van het papier, zal doen treden en haar zuidereinde a naar ach-