Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.705

rr
+ -
UV
welke in beweging, in aanhoudenden omloop is; want alleen deze laatste, alleen
een electrische stroom, oefent invloed uit op de rigting der naald (zie blz. 639).
Wil men zien, hoedanig de stroom op de magneetnaald werkt, zoo neemt een
eind dik koperdraad en buigt het in dier voege om, dat het een vierkant bede
vormt (zie fig. 419), welks zijde ongeveer 2 tot 2,5 palm lang is. De beide ein-
den a en g bevestigt men aan de polen aenb (zie fig. 41^)
Fig- 41^ van eenen galvanischen toestel, wiens platen eenegroo-
fl te oppervlakte hebben. Stelt dat het einde a6 aau het
koper, en het einde fg aan het zink verbonden is; dan
neemt de stroom eenen weg aan, die door de pijltjes is
aangewezen. De stelling, die men het vierkant, dat de
draad vormt, geeft, is niet willekeurig; zij moet zooda-
nig zijn, dat het vlak, hetwelk men zich verbeelden kan
door den draad te gaan, juist in het vlak van den mag-
netischen meridiaan valt. Z wijst iu de figuur het zui-
den, iV het noorden aan. Alzoo gaat dan de stroom van
b tot c opwaarts, van c tot d van het zuiden naar het noorden, van d tot e ne-
derwaarts, en van e tot j van het noorden naar het zuiden. Houdt men nu eene
magneetnaald digt boven het deel cd, dau doet de stroom de noordpunt, dat
is, de naar het noorden gerigte punt der naald, naar het oosten afwijken. Houdt
men echter de naald onder cd, dan wijkt de noordpunt naar het westen af. Bij
het gedeelte c/" van den draad heeft juist het omgekeerde plaats. Indien men
hierbij de naald boven den draad houdt, zoo wijkt de noordpunt naar het wes-
ten af, en houdt men haar onder ef, dan wijkt de naar het noorden gerigte punt
der naald oostelijk af.
Het wordt op die wijze moeijelijk, om de rigting der afwijking in het geheu-
gen te prenten; in den eersten tijd kon men ook de afwijking der naald, met
l)etrekking tot den stroom, niet wel in korte woorden uitdrukken. Ampère
heeft echter die moeijelijkheid op eene zeer zinrijke wijze opgeheven. Men voor-
onderstelle, zegt hij, er bevindt zich in den draad een mensch-beeldje, dat
met den positieven stroom medezwemt, zoodat de stroom aan de voeten ingaat,
en aan het hoofd uitkomt; indien nu het beeldje het aangezigt keert naar de
naald, die men in de nabijheid van den draad houdt, zoo zal altijd de punt van
de naald, die naar het noorden wijst, aan de linkerhand van het beeldje afwijken.
Alzoo ligt dan het beeldje in den draad cd horizontaal; met het hoofd naar
het noorden gekeerd. Brengt men dus de magnetische naald boven den draad,
<lan ligt het beeldje op den rug, en de linkerhand bevindt zich aan de oost-
zijde, naar welken kant ook de afwijking der naald zal plaats hebben. Bevindt
zich de naald onder c d dan ligt het beeldje voorover, de linkerhand ligt der-
halve aan de westzijde, en ook daarheen zal de noordpunt des draads zich rig-
ten. In het draaddeel bc staat het beeldje regt overeind, en keert het nu het
aangezigt naar het noorden, dan zal de naald, die men bij den draad voert