Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.83
in beide gevallen dezelfde. Is dus de draad, die de beide polen verbindt een
zeer goede geleider, zoo doet de vermeerdering van het aantal elementen of
platen op de sterkte van den stroom, dat is, op de hoeveelheid doorstroomende
E, volstrekt geene nuttige uitwerking — welk besluit wij ook uit onze vroegere
redeneringen trokken. Maar is t zeer groot, hetwelk hetzelfde beteekent alsof
wy zeiden, is de verbindings- of sluitdraad een zeer slechte geleider, of is er
zulk een slechte geleider tusschen de beide draden, die aan de polen verbonden
zyn, geschoven, en wordt er dus groote tegenstand aan den stroom geboden, dan
heeft eene vermeerdering vau elementen ook eene vermeerdering der sterkte van
den stroom ten gevolge; want, wanneer men in de laatst gevondene breuk, die de
stroomsterkte van n elementen uitdrukt, namelijk ^ ^ ^ , het getal ( zeergroot
neemt, en e en (', zooals het behoort, onveranderd of standvastig laat, dan zal
men zien, dat de waarde der breuk hoe langer hoe grooter wordt, indien men
e en i' met steeds grootere getallen n, die het aantal paren platen voorstelt,
vermenigvuldigt, met andere woorden, men zal ontdekken, dat s' oi de span-
ning vau den stroom steeds vermeerdert. Dit stemt ook overeen met onze eerste
redenering.
Dat wij nu ten slotte nog eens de oppervlakte der platen vergrooten.
Wij weten, dat destroomsterkte van een enkel paar iss^^— Wordtnude
oppervlakte der beide platen n maal grooter, terwijl voor het overige alles het-
zelfde blijft, dan wordt daardoor, volgens onze vroegere beschouwing, de te-
genstand in de keten zelve n maal kleiner; want de vloeistoflaag. die tusschen
de platen ligt, is dan ook n maal uitgebreider, maarniet dikker geworden. In
plaats van den tegenstand t' moeten wij dus het n^® gedeelte er van nemen, dat
is t—; tellen wy deze breuk bij ( op, dan verkrijgen wij, deze laatste grootheid
ook onder den noemer n brengende, ' , en deze breuk in e deelende,
n
hebben wij voor de stroomsterkte s" —~— . Is nu in dat geval de tegen-
t —" '
standbieding van den verbindingsdraad of het getal t zeer klein, ja gelijk aan

nul, dan is n t ook gelijk nul, en dan gaat de uitdrukking over in s"
n e
waaruit ten duidelijkste blijkt, dat, hoe grooter de platen genomen worden, dat
is, hoe sterker n aangroeit, hoe sterker ook de stroom zal zyn, ingeval name-
lijk de geleidiugstegenstandbieding van den verbindingsdraad zeer klein is, in
vergelijking van de tegenstandbieding in de keten zelve.
1