Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
66-i
weg, terwijl op liet ziuk vrije -f-E blijft, van eene digtheid, die van het elec-
trisch verschil tusschen koper en zink afliangt. Die digtheid nemen wij, zooals
boven gezegd is, als eenheid aan. Wij kannen nu zeggen, dat de digtheid der
vrije E op het koper nul is, terwijl zich over het zink vrije H—E verspreidt van
de digtheid 1. Men legge nu een vochtig lapje op het zink; stellen wij, dat dit
geene electrische werking op het zink uitoefent en slechts als geleider zich daar
geplaatst vindt, zoo gaat een deel der vrije +E van het zink op het lapje over,
en het verlies, dat daardoor het zink ondergaat, wordt door de electromotori-
sche kracht weder aangevuld; zoodat de digtheid der vrije -f-E op het zink 1
blijft en er op het vochtige schijlje vrije -J-E van de digtheid 1 is verspreid.
Wordt nu op het vochtige schij^e of lapje weder eene plaat koper gelegd, dan
wordt ook over deze de -J-E verspreid, en deze -f- E zal ook de digtheid 1 herei-
ken; zoodat wij nu op de onderste koperplaat de digtheid O, en op het zink, het
vochtige lapje, en het daarop rustende koper, van de digtheid 1 hebben.
Legt men nu op de bovenste koperen plaat weder een plaatje zink, zoo wordt
ook dit laatste met vrijevan de digtheid 1 geladen, al ware er ook geene
kracht tot opwekking van electriciteit tusschen de beide bovenste platen werk-
zaam. Daar nu echter het electrisch verschil tnsschen koper en zink steeds
hetzelfde blijft, dat is, volgens onze aangenomen stelling, de digtheid 1 blijft
behouden, zoo moet de +E der bovenste zinkpléiat de digtheid 2 hebben. Zoo
kan men nu verder voortredeneren: — legt men op het tweede zinkkoper
paar weder een vochtig schijQe, en dan daarop weder een koper en een zink-
plaatje, altijd het koper onder en het zink boven, dan wordt op de derde zink-
plaat de digtheid der -j-E gelijk aan 3, enz.
Als nu de kolom op zoodanige wijze wordt opgestapeld als hoven is om-
schreven, dan spreekt het van zelf, dat men altijd met zink zal moeten ein-
digen, als men met koper is begonnen, en omgekeerd. Het einde nu van de
kolom, hetwelk met zink sluit, noemt men het zinkeinde, de ztnkpool of positieve
pool, het andere einde, waar koper de laatste plaat uitmaakt, wordt het Aroper-
einde of de negatieve pool genoemd.
In de laatst beschrevene rangschikking was de negatieve pool met den grond
in geleidende verbinding, de positieve pool was geïsoleerd, en over de geheele
kolom was —|—E verspreid, wier digtheid van ouder naar boven toenam. Bij de
eerst aangewezene rangschikking, toen wij namelijk het zink op de hand plaat-
sten, was de negatieve pool geïsoleerd en de positieve met den grond in gelei-
dend verband gebragt; toen was derhalve de digtheid der vrije E bij het zink
O, terwijl over de geheele kolom vrije —E was verspreid, die insgelijks vanon-
der naar boven of naar het kopereinde toenam. Zijn beiden de polen geïsoleerd,
zoo verkrijgen wij aan het eene einde eene negatieve aan het andere eene posi-
tieve electrische spanning, die half zoo groot is als de positieve of negatieve elk
voor zich alleen bezit, indien men eene der polen met de aarde geleidend ver-
bindt. De volgende redenering maakt dit nog duidelijker.