Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.601
neemt, vervolgens het geïsoleerde schijfje i in aanraking brengt met een elec-
trisch ligchaam en dit eindelijk weder in den cilinder plaatst, het gond-
blaadje n met i gelijknamig electrisch worden , en deze beide ligchamen-
zullen daarna elkander afstooten; door deze afstooting wordt de draad gewron-
gen. Draait men nu, na het Staate mn in rust is gekomen, het boveneinde,
door middel van het stuk op zoover om (en wel in eene rigting, tegenoverge-
steld aan die, welke het goudblaadje n bij de afstooting nam), tot weder het
goudblad op dezelfde plaats tegen het schijlje gekomen is, dan kan, door de
grootte van den boog, dien de naald boven bij op heeft doorloopen, de graad
der afstooting met behulp van dien wringingsboog juist gekend worden. Indien
nu de bol i achtereenvolgend met andere electrische ligchamen wordt in aanra-
king gebragt, kan men door middel der verschillende bogen, welke de naald
aan het boveneinde doorloopt, over de betrekkelijke hoeveelheden electriciteit,
die de ligchamen bezitten, oordeelen.
Wij meenen door het bovenstaande een voor deze beginselen voldoend denk-
beeld van het doel en de inrigting der electroscopen en electrometers gegeven
te hebben. Andere zamenstellingen dan de beschrevene gaan wij stilzwijgend
voorbij.
De voornaamste waarheden, die door de wringbalans van Coulomb, zijn aan
het licht gebragt, aangaande de verdeeling der electriciteit over in grootte en
gedaante verschillende oppervlakten, of betrekkelijk de mededeeling van de elec-
triciteit van het eene aan het andere ligchaam, willen wij kortelijk opgeven.
1*. De electrische aantrekkingen en afstootingen verhouden zich tot elkander als
de digtheden der op elkander werkende electrische vloeistoffen, en omgekeerd als dc
vierkanten der afstanden.
Deze grondwaarheden der electrische werking heeft Coulomb, even als de
overeenkomstige wet der magneetkracht, door middel van de wringbalans en de
slingeringen eeuer kleine electcische naald bewezen.
Al is een geleider ook zoo volkomen mogelijk geïsoleerd, toch verliest hij
voortdurend electriciteit; deze waarheid is reeds meermalen vermeld; zij is een
gevolg van de vochtigheid of geleidbaarheid des isolators. Maar ook iu de lucht
verliest het ligchaam voortdurend electriciteit, al is zij ook nog zoo droog.
Om dit te bewijzen, neemt men eene zeer drooge, lange staaf van glas of schel-
lak, aan welks eind een proefschijQe is gehecht, raakt met dit laatste een'
geladen conductor aan, en brengt het daardoor ook geladene proefschijQe door
de opening k in de nabijheid van n; er volgt nu aantrekking en afstooting, en
men leest den graad van afstooting op den ring t v af. Na men eene minuut heeft
gewacht, brengt men het schijQe n weder in den natuurlijken toestand , raakt
op nieuw den geladen conductor aan, handelt verder op dezelfde wijze als
de eerste maal, cn men bevindt dat de afstooting tusschen n en het proef-
schijQe reeds veel minder is. Gemiddeld genomen is het verlies bij droog weder
tot bij vochtig weder j'^; in dat geval zijn geene proefnemingen mogelijk.