Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
Deze kleven ook zonder smeersel vrij sterk zamen, omdat het glas zuiver-
der kan gepolijst worden, en hier derhalve meer atomen met elkander in aan-
raking komen. Wanneer men twee pas van elkander gesneden stukken lood, die
zuiver glad op hunne doorsnede zijn, met eene ligte drukking aaneen brengt, zoo
blijven zij zoodanig zamenhaugen, alsof zij nog één stuk uitmaakten. Men is
door deze kracht in de mogelijkheid, om van vederhars buizen te maken, die
geene lucht doorlaten. Hiertoe neemt men eene lange reep dezer gom en snijdt
er in de lengte met een scherp mes de kanten glad af. Nu brengt men tleze
gladde kanten tot elkander door ombuiging om een rond houtje, en omwoelt
vervolgens alles met eenen band; na eenige dagen levert de gelaschte gom eene
zeer goede, hechte buis op. — Rij alle stoffen gaat het echter niet zoo gemak-
kelijk, om de eens verbrokene deelen weder aan elkander te hechten. Bij glas,
steen, hout, de meeste metalen moet men lijm, kalk, soldeersel of iets dergelijks
gebruiken, om de vereeniging daar te stellen; maar dan hechten zij ook me-
nigwerf zoo sterk aaneen, dat deze gelaschte ligchamen eerder op eene andere
plaats breken, dan daar, waar zij door het verbindingsmiddel gehecht zijn.
Niet alleen bestaat deze aantrekking tusschen de atomen der vaste ligcha-
men vnn dezelfde soort, waarvan ik tot hiertoe slechts voorbeelden bijbragt,
maar ook tusschen verschillende stoffen. Een goudblaadje, op zuiver staal ge-
legd, kleeft door een' sterken hamerslag zoo vast op het staal, dat er een duur-
zaam verguldsel door wordt te weeg gebragt. Wanneer ligte bladen tin en
lood op elkander gelegd, en door zware rollen zeer dun uitgedreven worden,
vereenigen zich deze metalen. Door de adhesie hecht het krijt op het bord,
een mengsel van kwik en tin op het spiegelglas, en drukinkt op de metalen let-
ters en den steen.
Insgelijks ontdekt men die zamenkleving bij vaste en vloeibare ligchamen.
Onze beroemde landgenoot 's Gravesande vond een middel uit, om deze kracht
waar te nemen niet alleen, maar ook om haar tusschen verschillende stoffen
te vergelijken. Volgens zijne uitvinding gaat men hierbij op de volgende wijze
te werk : aan den eenen arm eener balans hangt men een glazen schijQe, en
aan den anderen een schaaltje, dat er mede in evenwigt is. Men laat nu
het glazen plaatje naar de oppervlakte eener vloeistof afdalen, tot zoolang,
dat de onderzijde van het schijQe even het vocht aanraakt; daarna legt
men van tijd tot tijd gewigtjes in het schaaltje, tot eindelijk het glas-
schijlje zich van het vocht loslaat. Door deze schrandere handelwijze kan
men zien: 1®. dat de vochten de vaste stoffen aantrekken; 2®. welke vloeistof-
fen dit het sterkst doen; want hoe meer gewigt men in het schaaltje moet leg-
gen om het glas vrij te maken, hoe grooter de aankleving is; en 3®. dat de
vochtdeelen zeiven ook elkander aantrekken, hetgeen ik u vroeger aantoonde;
want anders zoude het vocht, dat aan het glasschijlje blijft hangen, zich ge-
makkelijker van de overige vochtdeelen laten scheiden. — Het verdient opmer-
king, dat, welke vaste zelfstandigheid men in plaats van het glazen schij^e stelt