Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.89
Het wrijf middel bestaat uit twee vlakke platen van metaal of hout e e, die
eerst met wol of laken, daarna met zeemleder ziju overtrokken; deze wrijvers
laten de glazen schijf tusschen elkander door gaan en wordeu vast aan de schijf
gedrukt door middel der veéren p en der schroef q, zoo dat zij, naar gelang de
schroef 7 meer wordt aangedraaid, het glas bij de omdraaijing der kruk m des te
sterker wrijven. De veéren p p rijn met schroeven bevestigd op het houten
blokje r. Het genoemde zeemlederen bekleedsel der wrijvers e e wordt aan de
binnenzijde over de geheele lengte bestreken met een amalgama, bestaande uit
twee gewigtsdeelen kwik, een deel zuiver zink en een deel tin. Eerst wordt
«laartoe het zink en tin goed zamen gesmolten; na de vereeniging werpt men het
mengsel in eene houten doos, in welker deksel eene opening is, waardoor men het
kwik vóór de bekoeling er bij kan gieten. Na de doos gesloten en goed geschud
te hebben, is het tot poeder gebragte amalgama geschikt, om vermengd met een
weinig kaarsvet over de beide wrijvers mèt^ene dunne laag te worden uitgestrekt.
Dit metaalpoeder bewijst aan het werktuig eene dubbele dienst: vooreerst maakt
het de oppervlakte van het leder ruwer en brengt dus sterkere wrijving te weeg,
en ten andere maakt het dc kussens beter geleidend, waardoor de met het glas
tegenovergestelde electriciteit beter kan worden veronzijdigd. De kussens wekken
nu bij omdraaijing der schijf door de wrijving in het glas positieve electriciteit
op, terwijl zij zeiven negatief-electrisch wordeu. De alzoo ontstane positieve
electriciteit trekt de negatieve van den bij de schijf geplaatsten zoogenaamden
eersten geleider of conductor 5 aan, en stoot de positieve vau zich terug. Opdat
nu de negatieve electriciteit van den conductor B naar het glas gemakkelijk zou
kunnen overvloeijen, en de +E er op zoude kunnen blijven, beweegt zich het
glas tusschen twee houten van buiten gepolijste ringen C door, welke aan dc
binnenzijde eene oniliepe groeve bevatten, bekleed met een strookje bladtin, en
voor zoo verre die ringen het glas A bestrijken, bezet met fijne naaldpunten,
welke niet boven de oppervlakte van het hout reiken. De toeleiding van de
—E van den conductor B uit de naaldpunten naar het glas, geschiedt door
het in de groeve liggende strookje bladtin, dat met den koperen bol B, daar
waar de houten ringen er aan bevestigd zijn, innig is verbonden. Een der
ringen ziet men in fig. 350 afgeheehl, zooals hij aan den binnenkant zich
Fig. 350.
voordoet; van a tot 6 liggen de punten der naalden;
a is een houten stuk, dat iu den conductor B wordt
gestoken, en op de houten staaf r bevestigt men ook
den anderen ring. Omhetwegvloeyender—{-E van
den conductor B te beletten, rust deze op eenen iso-
lator, bestaande uit een' glazen voet D, en ten
einde door het nederslaan van dampen op het
glas het isolerend vermogen niet te verzwakken,
vernist men den stijl D met schellak in alkohol opgelost, of wel men bestrijkt
deze met eene dunne laag kaarsvet; het laatstgenoemde middel wordt door velen