Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.581
metalen, kool, potlood, vochtig hout, het menschehjk ligchaam, de aarde, voch-
tige lucht, water, rook, enz. hehooren tot de geleiders. Deze waren het, welke
men vroeger niet-electrisch noemde.
Bij de tweede soort van ligchamen worden alleen die deelen electrisch, welke
gewreven worden; de electriciteit verspreidt zich bij deze niet, of ten minste m'terii
langzaam en in eene geringe mate over het geheele ligchaam. Eene glazen stang
bij voorbeeld, aan het eene einde gewreven wordende, doet aan het andere einde
niet de minste aantrekking zien. Zulke stoffen geleiden dus de electriciteit niet
zoo gemakkelijk als de eerstgenoemde: men geeft ze daarom den naam van niet.
geleiders. De eerstgenoemde reeks van zoogenaamde electrische ligchamen, telt
men hieronder, en hierbij munten vooral het glas, de hars, terpentijnolie, schellak,
zijde, gutta percha, en verder alle oliën als niet geleiders uit; schellak is een der
meest volkomene niet-geleiders, ijs geleidt te slechter, naarmate hel kouder is.
Merkt intusschen wei op, dat er zoo min volkomen geleiders als volmaakte niet-
geleiders gevonden worden. Men moet deze onderscheiding, zooals gezegd is,
alleen in dien zin verstaan, dat de electriciteit door sc^mige ligchamen op zulk
eene langzame, onmerkbare wijze wordt geleid, dat men ze naar onze middelen
van waarneming als niet geleidend kan aanmerken, en andere ligchamen tol die
geleiding veel beter geschikt ziju.
De aangewezene onderscheiding der ligchamen maakt het ons gemakkelijk le
verklaren, waarom sommige stoffen na wrijviug electriciteit toonen te bezitten,
andere niet. Komt namelijk een deel van een geleider, bij voorbeeld van eene
metalen staaf, in aanraking met eenen anderen geleider, zoo verspeidt zich de
electriciteit, die in den eerstgenoemden is opgewekt, ook over de oppervlakte
van den tweeden. Die onmiddellijke aanraking nu van twee of meer geleiders is
altijd aanwezig, wanneer men een'geleider, bij voorbeeld eene slaaf of buis van
koper in de hand houdt; want in dat geval zijn hel metaal, het menschelijk
ligchaam en de grond allen elkander aanrakende geleiders. Maakt men dus,
door een gedeelte van de metalen buis te wrijven, in dat deel de electriciteit
werkzaam, zoo verspreidt deze zich dadelijk over de geheele buis, verder over de
hand, die met haar in aanraking is, van deze over of door ons geheele ligchaam,
en vervloeit van daar over den grond, die ons draagt.
Neemt men echter eene slaaf of buis, die in dier voege is zamengesteld, dat
het eene einde uit metaal, en het andere uit glas beslaat, met andere woorden,
gebruikt men eene metalen buis, voorzien van een glazen handvat, en wrijft
men vervolgens het metalen einde, terwijl men dat van glas in de hand houdt,
zoo kan men de in het gewrevene metaal opgewekte electricileit door een nader
te beschrijven werktuig waarnemen. Raakt men de electrische metalen buis met
de hand of eenen anderen geleider aan, zoo wordt ook aanstonds alle electriciteit
aan het ligchaam ontroofd, dewijl zij door de hand heen naar de aarde weg-
stroomt; maar raakt men eene gewrevene glazen stang of eene van hars aan, dan
wordt alleen aan de aangeraakte plaats de electriciteit onttrokken.