Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEGENDE AFDEELING.
DE ELECTRICITEIT.
TWEE EN ZEVENTIGSTE LES.
Over (Ie electricileit in het algemeen.
Wij moeten in deze afdeeling eene stof behandelen, die het rijkste en vrucht-
baarste deel uitmaakt van al de onderwerpen, welke de proefondervindelijke
natuurkunde in haar gebied heeft opgenomen, die, zoowel als het licht, den
lust tot onderzoek der natuurkundigen nog altijd levendig houdt en den dorst
naar kennis prikkelt. Hoe duister ook baar wezen al weder zijn moge, heeft zij,
sedert men hare krachtsuiting proefondervindelijk heeft pogen na te vorsehen,
een groot licht verspreid over andere, en bepaaldelijk over de scheikundige,
magnetische en metereologische (weêrkundige) natuurverschijnselen.
Wij gebruikten het woord slof, maar zonder grond, want wij zijn even min
in staat om de stoffelijkheid der electriciteit, als die van het magnetismus, der
warmte en des lichts te bewijzen. — Welligt zou men beter doen, door het
woord stof met krachl te verwisselen, maar hierdoor verliest de zaak zeker'fn
duidelijkheid. Wij, stoffelijk als wij zijn, kunnen ons volstrekt van iets onstof-
felijks, van eene kracht, geen denkbeeld vormen, maar ziju gewoon aan het
onstoffelijke het denkbeeld van stoffelijkheid en van vorm te verbinden, en indien
de lezer nu altijd slechts bedenkt, dat duidelijkshalve het woord stof gebezigd
wordt, en hij de stoffelijkheid der electriciteit voor eene hypothese houdt, zal
hij geen het minste gevaar loopen, om daardoor in dwaalbegrippen te vervallen.
Wij zullen volgens onze gewoonte alweder met waarnemingen beginnen, want
langs den weg der waarneming alleen moeten wij de natuurwetten leeren op-
sporen.
Neem eene glazen stang, een bierglas of eenig ander glazen voorwerp, wrijf
dit sterk met een lapje zijde of wol, nadat gij vooraf op de tafel eenige zeer
kleine papiersuippertjes, stukjes goudblad, eeu weinig houtzaagsel of andere
soortgelijke ligte ligchaampjes heb gestrooid. Breng nu de gewrevene stang digt
boven die ligte ligchamen, en gij ziet er deze naar toe vliegen; eenige blijven er
aan hangen, andere keeren onmiddellijk naar de tafel terug, om zich daarna
op nieuw naar de stang te begeven; enkele der papiersnippertjes, die eene lang-
werpige gedaante hebben, plaatsen zich op de tafel regt overeind, even alsof zij