Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.76
ligchamen, die zelven magnetisch of diamaguetisch zijn. Een magnetisch lig-
chaam is in eene even sterk magnetische vloeistof geheel onverschillig; wordt
deze laatste echter meer magnetisch, zoo plaatst zich het eerste aequaloriaal en
wordt zij zwakker zoo stelt zich het eerstgenoemde ligchaam axiaal. Een dia-
magnetisch ligchaam, omringd wordende door magnetische of diamagnetische
stoffen, neemt de aequatoriale rigting aan. Ook heeft men bevonden, dat de af-
stand, waarop de diamagnetische ligchamen boven de polen van den magneet
gehangen worden, zeer veel invloed op de rigting, in welke zij zich plaatsen,
uitoefent.
8°. Uit dergelijke waarnemingen heeft men bet besluit getrokken, dat de
theorie, aangaande het bestaan der twee magnetische vloeistoffen in de ijzer-
houdende Ugchamen (zie bladz. 547) niet meer aan de eischen voldoet. Men heeft
dus eene andere verklaring gezocht en gegeven, die zoowel voor de verschijnselen
bij magneten als diamagneten doorgaat; wij zullen deze op eene audere plaats
doen kennen Sedert korten tijd is gebleken, dat de magnetische en diamagne-
tische verschijnselen zoodanig naar eene zelfde bron, waariüt zij ontstaan, heen-
wijzen, dat het hoe langer hoe meer waarschijnlijk wordt, hen aan dezelfde
oorzaak te moeten toeschrijven.
9\ Hoogst opmerkelijk is de uitwerking, die de magneet heeft op vlammen en
gasstroomen, welke tusschen zijne polen gebragt worden, een verschijnsel, dat
het eerst door Bancalari is ontdekt en later door Pliicker onderzocht.
Toen de schrijver tusschen de polen van Teylers reuzenmagneet eene kaarsvlam
bragt (tot welke proefneming de welwillendheid van den hoogleeraar van Breda
hem in de gelegenheid stelde), en wel zoodanig, dat de polen op de helft van de
hoogte der vlam reikte, verkreeg deze eenen vorm, welke in fig. 345 wordt voor-
gesteld. Men ziet hier de vlam in eene aequatoriale rigting, zooals zij tusschen de
polen was zamengedrukt; de vlam of liever hare bestanddeelen waren dus diamag-
netisch. In het midden zag men eene holte, die haar geheel het voorkomen van
Fig. 345.
een schuitje gaf. In eene bepaalde stelling werd
de vlam door de magneetkracht geheel uitgedoofd.
10. Plücker heeft het eerst opgemerkt, dat de
kristalvorm werkelijk invloed uitoefent op de dia-
magnetische verschijnselen. Een toermalijnplaatje
P (zie fig. 276) evenwijdig met de as m n geslepen,
werd zoodanig tusschen de polen van den magneet
gehangen, dat die as met de rigting van den draad,
waaraan het hing zamen viel. De plaat stelde zich
nu axiaal, iets, dat wegens hare ijzergehalte te ver-
wachten was: zij toonde zich derhalve magnetisch.
Hing men nu echter de plaat iu diervoege op, dat de as horizontaal lag (zie Q
fig. 276) zoo plaatste zich de plaat aequatoriaal. Knohlanch en Tijndal meenen,
dat dit verschijnsel ontslaat, doordien de magnetische werking het grootste is in