Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.567
Neem een smal, dun stuk staal, boor er in bet midden eene kleine
openiijg in, zoodanig dat, wanneer men daardoor eene naainaald of een ijzer-
draadje brengt, het staal daarop juist in evenwigt hangt, ofin elke stelling in
rust kan gebragt worden, met anderewoorden, maak dat de opening juist in
het zwaarte punt valt. Magnetiseer vervolgens het staal, leg nu weder de einden
van de horizontale stift, om welke de magneetnaald kan draaijen, op de boven-
kanten van een V vormig steunsel, zoodanig, dat de naald in den magnetischen
meridiaan valt, zoo zal men bevinden, dat het staal niet meer horizontaal kan
blijven liggen, het noordeinde schijnt zwaarder te zijn geworden,het duikt in
onze streken naar beneden. Verrigt men dezelfde bewerking in het zuidelijk
halfrond, zoo zal men de zuidpool naar beneden zien duiken. Meer geschikt tot
waarnemingen van dezen aard is het werktuig, waarvan fig. 341 eene afbeelding
geeft. In het raampje van geel koper a6 c rf,
dat aan een' draad p is opgehangen, bevindt
zich de ligt beweegbare as a die door het
zwaartepunt van de magneetnaald n r gaat.
De op dusdanige wijze opgehangen magneet-
naald kan zich met het raampje horizontaal
om den draad p en tegelijk vertikaal om. de as
ab bewegen. De naald stelt zich derhalve,
draaijende omden draad,inden magnetischen
meridiaan, en het naar het noorden gerigte
einde duikt, draaijende om de as ab, naar
beneden. Meu noemt den hoek o mn, dien
zij alzoo met den horizon maakt, de helling
of inclinatie der magneetnaald. Die hoek
bedraagt voor Nederland omtrent 6S graden.
Ook de inclinatie is aan eene langzame secu-
laire verandering onderworpen; sedert 1671
is zij voortdurend afnemende.
Hadden wij op onzen togt naar het noor-
den of zuiden, ten einde waarnemingen aan-
gaande de afwijking te doen, behalve eene declinatie-naald ook eene inclinatie-
naald (zie fig. 341) medegenomen, wij zouden bevonden hebben, dat de helling
der naald naar het noorden steeds toeneemt, en zelfs in het noorden van Noord-
Amerika, op omtrent 70' 5'noorderbreedte en 263' 14'oosterlengte van Green*
wich, een punt hebben gevonden, waar het noordeinde n der naald zich zooveel
mogelijk naar de aarde rigt, en de naald zich dus loodregt plaatst, zoodat de hori-
zontale kracht verdwijnt. Dit punt is men gewoon de ma^netjsc/ie noord;)oo/der
aarde te noemen.
Sloegen wij, altijd van ons land uitgaande, den weg naar het zuiden in, zoo
zouden wij de helling zien afnemen, tot zij eindelijk iu de keerkringsgewesten