Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.366
neemt, van zekere plaats afgerekend, m verschillende rigtingen vrij regelmatig
toe of af.
Indien men, van ons land uitgaande, in eene oostelijke rigting reist, bevindt
men, dat de westelijke afwijking der naald steeds kleiner wordt; tusschen Moskou
en Kasan schijnt zich een punt te bevinden, waar alle afwijking ophoudt, en
waar de magneetnaald derhalve naauwkeurig noord en zuid wijst; oostelijk van
dit punt zonder afwijking, of oostelijk van Kasan, wordt de declinatie oostelijk.
Waarschijnlijk neemt nu de oostelijke afwijking toe, om, nadat zij haar hoogste
punt heeft bereikt, weder af te nemen. Verder oostelijk voortgaande, bereiken
wij eindelijk op het vasteland van Noord-Amerika eene plaats, waar weder de
declinatie ophoudt, om nu weder westelijk te worden; vervolgens komen wij,
misschien in den Atlantischen oceaan, op eene plaats, waarde westelijke afwijking
hare grootste hoogte verkrijgt, om alsdan weder af te nemen.
Wij hebben de reis van het westen naar het oosten genomen, maar hadden
wij onzen koers naar het noorden of zuiden gezet, ook dan zouden wg de afwij-
king hebben zien veranderen.
Het laat zich ligt begrijpen, dat men, zoo doende, op de oppervlakte der aarde
eene aaneenschakeling van punten kan vinden, waar overal het ware noorden
en zuiden door de naald wordt aangewezen, — met andere woorden, waar de
afwijking nul is; als men dan al die punten door eene hjn vereenigde, zou daar-
door eene regelmatig gebogene kromme lijn ontstaan. Zulke lijnen, op welke de
declinatie nul is z^n er thans twee op de aarde bekend, welke zich natuurlek
omtrent in de rigting der meridianen uitstrekken; de eerste loopt door de Hud-
sonslmai, treedt bij Philadelphia in den Atlantischen oceaan, gaat ten oosten der
W^est-Indische eilanden door de oostelijke punt \ au Zuid-Amerika, rigt zich nu
verder zuidwaarts naar de zuidpool, keert, na door deze te zijn heengegaan,
weder naar het noorden, bereikt alzoo de zuidkust van Nieuw-Holland, door-
snijdt dit eiland, buigt zich verder zeer westelijk om, treedt dan door de ooste-
lijke punt van Arabië, door de Kaspische zee. Rusland en de Witte zee en keert
eindehjk, na door de noordpool te zijn gegaan, in zichzelve terug. De tweede lijn,
op welke de declinatie nul is, is eene in zichzelve terugkeerende kromme van eene
geringe uitgebreidheid, welke eigenlijk China, de Japansche eilanden en de daar
aan grenzende zee omvat; binnen deze lijn is de declinatie westelijk. Dergelijke
kromme lijnen kan men ook trekken door alle punten, waar de afwijking dezelfde
is, en er bestaan kaarten, waarop die lijnen, voor zoo verre de gelijke afwij-
kingen bekend zijn, voorkomen. Men noemt ze declinatie-kaarten. Aan de lijnen
zelveu geeft men den naam van lijnen van gelijke afwijking of, met een vreemd
woord, isogonische lijnen. Zij veranderen, zooals uit de gezegde veranderlijk-
heid der declinatie is op te maken, langzamerheid. Derhalve moeten de genoemde
kaarten ook telkens verbeterd worden.
Behalve de opgenoemde verandering, waaraan de rigting der magneetnaald
onderworpen is, bestaat er nog eeue tweede.