Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.585
l>ereist, neemt de afwijking waar op het zoogenaamde kompas, een algemeen be-
kend werktuig, dat vooral op de schepen In gebruik is. Er bestaan intusschen
veel geschiktere werktuigen, om de decUnatie-hoekeu bmnte meten; men vindt
deze in alle observatoriën, die tot waarneming van verschijnselen in den damp-
kring bestemd zijn. Ten einde zich zulk een declinatie-kompas te kunnen voor-
stellen, diene de volgende beschrijving. Een' magneet is opgehangen aan eenen zeer
ligten opgedraaiden draad, op welks eene pooleinde een spiegeltje is bevestigd, dat
loodregt op den magneet staat; verder is in dc verlenging van den magneet, op
eenige ellen afstands van dezen, een kijker bevestigd, die met het voorwerpglas
naar het spiegeltje is gekeerd; onmiddellijk onder den kijker ligt in eene horizon-
tale rigting eene in kleine deelen verdeelde schaal, welker beeUl men vergroot door
den kijker in het spiegeltje kan waarnemen. Door deze inrigtiug wordt de ge-
ringste beweging van de magneetnaald, door den grooten afstand des kijkers
aanmerkelijk vergroot, zeer juist waarneembaar. Dergelijke met buitengewoon
veel voorzorg zamengestelde werktuigen hebben het navolgende geleerd.
r De afwijking is op dezelfde plaats niet altijd dezelfde, maarzij is aan regel'
matige veranderingen onderworpen.
Uit de waarnemingen, die er sedert de laatst verloopene 250 jaren voor ons
land zijn bekend geworden, blijkt, dat in 1600 de afwijking voor ons land 9' 30'
beoosten het ware noorden was; dat deze afwijking voortdurend afnam, tot om-
streeks 1650, wanneer zij geheel was verdwenen, en dat dus toen de naald in
den geographischen meridiaan stond. Sedert dien tyd bleef de magneetnaald zich
naar het westen bewegen; en deze westelijke afwijking groeide tot omstreeks
1827 aau, wanneer zij weder aan het afnemen geraakte, wat ook thans nog het
geval is. Thans bedraagt de afwijking voor ons land omstreeks 20' 30'. Waar-
nemingen, die op andere plaatsen gedaan zijn, hebben soortgelijke uitkomsten
opgeleverd.
Behalve deze zeer langzame heen- en wedergaande beweging der naald, die
onder den naam van seculaire verandering bekend is, wordt nog eene dagelijks che
regelmatige (periodieke) verandering waargenomen. Zij hangt waarschijnlijk van
den stand der zon boven den horizon af. Voor het geheele noorder-halfrond
onzer aarde, neemt vau 's morgens 8^ ure tot omtrceks des namiddags 1|- ure,
de westelijke afwijking toe, en het noordereinde der naald beweegt zich dus vau
het oosten naar het westen, om gedurende de overige uren van den dag weder de
tegenovergestelde rigting te volgen. In het zuider halfrond daarentegen, be-
weegt zich het zuidcinde der naald eveneens als het noordeinde in het noordelijke;
de noordpunt verplaatst zich dus daar eerst van het westen naar het oosten en
vervolgens terug. De dagelijksche veranderingen worden grooter, naarmate meu
zich meer noord- of zuidwaarts van den evenaar verwijdert. Terwijl de naald
digt bij den evenaar dagelijks 3 of 4 minuten doorloopt, bedraagt zulks in het
midden van Europa 13 tot 15 minuten.
2', Op alle plaatsen der aarde is de afwijking op denzelfden tijd niet dezelfde; zij