Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.564
poleu geheel omkeert, zoo blijft zij niet in rust, maar volbrengt eene halve om-
wenteling, ten einde weder de vorige rigting aan te nemen; de kracht, diede
magneetnaald rigt, doet dus hetzelfde, wat wij de magneten zagen doen: zij
stoot de eene pool af en trekt de andere aan.
Al dadelijk doet zich de vraag op: waar huisvest toch eigentlijk die kracht,
welke zoo algemeen over de aarde is verspreid ? Heeft zij in de aarde zelve, of
daar buiten hare zitplaats? Tallooze proefnemingen, en daarop gebouwde juiste
gevolgtrekkingen en redeneringen hebben het schier buiten allen twijfel gesteld,
dat de aarde zelve een groote, maar, naar evenredigheid dier grootte, zwakke
magneet is. Doch waarin nu bepaald hare kracht gelegen is, is onbekend. De
beide polen van den grooten aardschen magneet liggen in de nabijheid der beide po-
len van de as der aarde, en men onderscheidt ze van elkander met de namen mag-
netische zuid- en noordpool. Daar nu gelijknamige polen elkander afstooten, zoo
ziet gij, met hoeveel grond men den naar het noorden wijzenden arm der mag-
neetnaald hare zuidpool had kunnen noemen en den tegenoverges tel den arm hare
noordpool* Wij zullen evenwel in deze het aangenomene gebruik volgen.
Het kan uwer aandacht niet ontsnapt zijn, dat de magneetnaald niet juist de
rigting van het noorden en zuiden aanwyst. De ware rigting dier hemelstreken
vindt men door zich twee cirkels voor te stellen: een' in den horizon, en dus
overal een kwartcirkel verwijderd van de plaats, waar wij ons bevinden of van
haar toppunt, en een' die door de polen der aarde of des hemels en de genoemde
plaats of haar toppunt heengaat. Verbeeldt men zich verder vlakken door die
cirkels gebragt, dan zullen deze loodregt op elkander staan; het eerste zal het
vlak van den horizon uitmaken, het tweede zal den meridiaan der plaats be-
vatten; de lijn nu, volgens welke deze vlakken elkander snijden, is de ware
rigting van het noorden en zuiden. Neemt men nu de stelling van de magneet-
naald waar, en vooronderstelt men, dat door hare rigtingslijn een vertikaal of
loodregt op den horizont staand vlak gaat, dat is een vlak, in hetwelk die rig-
Fig. 340.
tingslijn en het middelpunt der aarde liggen, dan wordt dit
vlak of wel de lijn, volgens welke het de oppervlakte der
aarde snijdt, de magnetische meridiaan genoemd, en dit laatste
vlak zal, ten minste voor onze streken, eenen zekeren hoek
maken met het vlak van den geographischen meridiaan;
dien hoek noemt men de afwijking, miswijzing of declinatie
van de magneetnaald. Zij, om dit door eene fig. op te helderen,
n z (zie fig. 340) de rigting van den meridiaan eener plaats.
a b die van eenen, op dezelfde plaats horizontaal zwevenden
magneet, dan is hoek n m b rrr boek a m z Ae afwijking van
de magneetnaald. Zij wordt oostelijke of westelijke declinatie
genoemd, al naarmate de noordpunt van de naald naar dc
eene of andere zijde van den geographischen meridiaan af-
wijkt. De zeeman of hij, die onbekende uitgestrekte streken