Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.63
ZEVENTIGSTE LES.
Over de inagneelkracht der aarde. Isogonische, isocliai-
sclie, isodynamische lijnen.
Wij noemden de kracht, die thans het onderwerp van onze beschouwing uit-
maakt, geheimzinnig, en inderdaad bij alles wat wij van haar vernamen, is het
raadselachtige, dat haar omgeeft, niet weggenomen, en datgene, wat wij thans
aangaande de werking der magneetkracht wenschen te vermelden, zal misschien
dat geheimzinnige eer doen toe- dan afnemen. Is het nut dat hare kennis aan-
brengt in de vorige regelen nog niet bepaald in het oog gesprongen, thans zullen
wij de magneetkracht leeren kennen als eene werking in de natuur, die den
mensch schier onontbeerlijk is geworden. De magneetnaald, dat eenvoudige
werktuig, is immers den reiziger ten wegwijzer op den onmetelijken oceaan,
in de barre woestijnen, onafzienbare grasvlakten, uitgestrekte wouden en geberg-
ten, als de met wolken bedekte hemel, bij dag zoo min als bij nacht, de zonnen
als zoo vele bakens laat voortreden, om hem tot rigting van zijnen koers te die-
nen. Deze waarheid kan geene verwondering meer opwekkeu, mi wij hebben
gezien, dat de magneet, vrij zwevende, zich altijd ten naasten bij in de rigting van
het noorden naar het zuiden plaatst; de kennis der hemelstreken toch is immers
een uitmuntend hulpmiddel, om zich met de betrekkelijke ligging der plaats,
waar wij ons bevinden, bekend te maken? En behalve dat, uit de iu de laatste
jaren gedane waarnemingen der wetenschappelijke reizigers tn natuurgeleerden
is gebleken, dat zelfs de magneetnaald in sommige gevallen het eenige middel zou
kunnen worden, waardoor men met de juiste plaats, waar men zich op de aarde
bevindt, kan bekend geraken.
Om zich aangaande het bestaan van de magneetkracht der aarde te overtuigen,
zoo neem eene reep staal, plaats deze op de aangegevene wijze (zie fig. 333) op
de punt eener naald, of leg haar op een stukje kurk op het water, zoo zal het
staal hoegenaamd geene neiging openbaren, om zich in eene bepaalde rigting in
rust te stellen; maar naauwelijks heeft men het gemagnetiseerd of de naald plaatst
zich omstreeks in de rigting vau het noorden naar het zuiden, en keert er weder
na eenige schommelingen iu terug, zoo men haar er eerst uit brengen mogt.
Deze opmerkelijke eigenschap van den magneet ontdekt men overal, in alle
werelddeelen, op alle zeeën, op de hoogste toppen der bergen en in de diepste berg-
werken.
Er bestaat derhalve over de gansche oppervlakte der aarde eene magnetische
kracht, want de naald k.m zich zelve niet rigten. Die kracht moet ook eveneens
werken als een magneet, en niet als die van eene massa ijzer, want wanneer men
de naald eene halve omwenteling doet volbrengen, en dus de stelling harer