Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.060
als dc derde maglen der afstanden. Ook deze wet is intussehen een gevolg van
de eerstgenoemde,
b. Om de betrekkelijke sterkte der magneten op verschillende punten hunner
uitgebreidheid te leeren kennen, brengt men de te onderzoeken staaf/V Z (zie
fig, 334) eene loodregte, verticale rigting op die, waarin de kleine vrijzwe-
vende magneetnaald nz zich plaatst, voert deze laatste, terwijl zij aan eeu' enkel-
voudigen zijden draad hangt, langs den magneet van Z naar N en neemt naauw-
keurig het aantal slingeringen, dat zij op elke plaats in denzeifden tijd volbrengt,
waar. Op deze wijze kon de ligging der polen bepaald worden en is ook de figuur
ontworpen, die wij onder N°. 323 hebben voorgesteld; de daarin voorgestelde
kromme lijn is de kromme van Coulomb; de lengte der loodlijnen stellen het aan-
tal slingeringen voor.
C. Door de aangewezene schommelingen der naald onder den invloed van een'
magneet naauwkeurig waar te nemen, heeft de Utrechtsche hoogleeraar van
Rees op deze waarnemingen eene theorie, aangaande de magnetische verschijn-
selen in aan elkander al of niet verbondene magnetische staven, gegrond, die op
eene zeer natuurlijke wijze alle werkingen verklaart. Om de hypothese van
van Rees, die wij om verschillende redenen hier niet wenschten weg te laten, wel
te verstaan, verbeelde men zich, dat n, 6, c enz. (zie fig. 335) eenige aan elkander
liggende stalen staafjes ziju, en
4* IQ m .J.J D*
dat men deze, volgens eene der
verklaarde stnjkmethoden mag-
netisch maakt; dan zal men na de
bewerking en het uit elkander
nemen der rij altijd bevinden, dat de staafjes een des te sterker maguetismus
doen zien, hoe nader zij gedurende de strijking bij het midden lagen: d zal dus
de sterkste, a en ^ de zwakste magnetische kracht doen kennen. Legt men twee
staafuiagneten N Z en Z' zie fig. 336 naast elkander zoodanig, dat zij in
^^^ elkanders verlengde vallen en wel
met twee der ongehj kuainige polen
Z en aaneen gesloten, zoo doet
het proefnaaldje n z fig. 334 op
de plaats der aanraking m, geen
spoor van magnetismus zien, terwijl de van elkander verwijderde polen N en Z' in
kracht hebben gewonnen. Toch is de magneetkracht bij m inde einden Z en iV'aan-
wezig. Deze beide proeven bewijzen, dat er een groot ouderscheid behoort ge-
maakt te worden, tusschen de magneetkracht, die m de moleculen aanwezig is,
en die, welke zich naar buiten vertoont. Immers toen de staalstaafjes, in de eerste
]Moef gebezigd, aan één gesloten lagen, vertoonde het middelste, bij het stellige
bestaan der magneetkracht in de moleculen, zoo min als de magneten in het punt
van aanraking m, eenig spoor van magnetismu.s.
Door deze proeven, alsmede door een' magneet midden door te breken, ziet men
mm