Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
//
l
.547
Fi(j. 313. 318) ab een magneet en breekt
men hem in het midden door,
dan vertoont er zich in de helft a b'
aanstonds in b' eene pool, die ge-
lijknamig is met 6, en in de helft
bb' in // eene jxiol, die gelijknamig is met o. Ook dit verschijnsel heeft men
getracht toe te lichten. Men stelt zich daartoe een' magneet voor als uit kleine
deelen (atomen) te bestaan, die ieder op zich zelf de beide vloeistoffen in een*
verdeelden toestand bezitten ; deze verdeeling vindt zoodanig plaats, dat in elk
van die deeltjes of ijzeratomeu, de gelijksoortige vloeistof naar dezelfde zijde is
gekeerd. Dit is eenigzins in fig. 319 aanschouwelijk gemaakt: de langwerpige
Fig. 319. ruitjes verbeelden de atomen van
den magneet, de witte naar tle
regterzijde gekeerde helft ver-
beeldt het zuidmagnetismus van
elk atoom, en de donkere of
linkerheUt het noordmagnetismus. Stelt men zich nu altijd die deeltjes als
ondenkbaar klein voor, dan blijkt uit deze gesteldheid zoowel de polariteit
van den magneet, als het er zich uit laat verklaren, waarom, indien een magneet
in twee of meer deelen wordt gebroken, elk stuk de eigenschappen van een'
magneet blijft behouden. Men kau ook door deze vooronderstelling zeer goed
verklaren, waarom de magneetkracht eener staaf naar de einden toeneemt en
in het midden nul mag gesteld worden. Zij. om dit duidelijk te maken, in fig. 320
Fig. 320. ^ ^
stofdeeltjes eener
4 ^ 2 3 4 5 O 7 8 „ zeer dunne magne-
^ zn zn zri tischestaaflaat
nu deze een magne-
tisch deeltje a worden aangeboden, zoo zal de helft z van het deeltje 1 de
helft n van het magnetisch deeltje a met eene zekere kracht aantrekken; de
andere helft n stoot n' af, maar de aantrekking houdt de overhand, omdat n
digter bij s dan bij n ligt. Het deeltje 2 werkt op dezelfde wijze op a als 1 er op
werkt, maar de kracht is aanzienlijk veel kleiner, wegens den grooten afstand.
De aantrekking van 3 is al weder veel kleiner enz. Voert men het magnetisch
deeltje a (zie fig. 321) verder naar het midden der staaf tot tegen over het midden
Fig. 321. derdeelenlen2,zoo
is het gemakkelijk
. l 3 2 4 5 0 7 ft _ j-f 1 „„ 9
op a zullen vernie-
tigen, en dat eerst het deeltje 3 zijn aantrekkend vermogen op a zal kunnen
uitoefenen, met eene kracht, die overeenkomt met die, welke in fig. 320 het deel