Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.46
Fuj. 314' 315. Fig, 316. heentrekt en de andere
naar a en a terugstoot;
de gelijknamige polen
der ijzerdraadjes lig-
gen dus tegen over
elkander, en moeten
elkander afstooten.
Brengt men den mag-
neet nog nader bij de
ijzerdraadjes, zoo ne-
men zij de stelling aan,
die in Bg. 315 is aan-
gegeven. Dit verklare
de lezer zelf.
Op een voetstukje c
(zie fig. 316) legge men een stukje zacht ijzer a b en in de nabijheid daarvan, er
naast, bange men een ijzerdraadje a b'. Breng er nu den magneet JB by,
op de wijze, zooals in de figuur is aangetoond, en men zal bemerken, dat het
einde a door het stukje ijzerdraad a b wordt afgestooten. De oorzaak vindt men
gemakkelijk. Ter opheldering kunne dienen, dat de gelijke letters altijd de gelijk-
namige polen aanwijzen.
Houdt men den magneet A B, zoo als fig. 317 dit aanwijst, dan wordt het
317.
einde b' van het ijzerdraad a b' door a b
aangetrokken. Waarom?
Wij hebben bij deze laatste proeven
kunnen opmerken, dat het weeke ijzer na
de verwijdering van den magneet weder
in den vorigen toestand terug keert, en
dus niet magnetisch blijft. Heeft men
echter het ijzerdraad met den magneet
in aanraking gebragt, zoo vertoont het
na de verwijdering doorgaans sterke sporen van magnetismus. Neemt men
eene stalen breinaald en bestrijkt men deze met den magneet, zoo is zij blijvend
magnetisch geworden, en wel in eene hooge mate. Wij zullen later deze zaak
uitvoeriger behandelen. Er gaat dus van het magnetismus der staaf mets vnn de
slaaf op het aanliggende of het bestrekene ligchaam over; de magneet geraakt nooit
in kracht uitgeput. Hij heeft alleen de beide vloeistoffen in het vroeger onzijdige
ligchaam verdeeld, ieder voor zich zoo het schijnt aan de beide polen verplaatst.
Men meene nu niet, dat de noord- en zuidmagnetische stoffen daar nu geheel
afgezonderd op zichzelven liggen; dat zij verre, — want breekt men eenen magneet,
ile gezegde breinaald bij voorbeeld, m twee of meer stukken, dan behoudt elk stuk
twee polen, elk stuk trekt ook weder ijzer aan en blijft een magneet. Is dus (zie fig.