Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.565
312, ophoopt, Kene middelijn ef, die men er vroeger
meende in te onderkennen, wordt door de proefnemingen
niet merkbaar. Rukt men het staafje van den magneet af,
zoo valt er ook het ijzervijlsel aanstonds af. Had men in
plaats van ijzervijlsel, bij het staafje cd een tweede ijzeren
cilindertje of staafje gebragt, dan zou dit ook aan het
einden/ blijven hangen; aan dit tweede konde men dan weder een derde zich doen
hechten, en zoo eene keten vormen, welker eerste lid de magneet zelf zou uit-
maken, en die onmiddellijk zou uit elkander vallen, indien men dat eerste lid,
den magneet namelijk, wegnam. Van dit verschijnsel geeft men de volgende
verklaring: IJzer bevat, even als de magneet, de beide magnetische vloeistoffen^
maar zij Ijevinden zich in een' verbonden toestand, zij besteden hare kracht om
elkander wederkeerig te binden. Zoodra nu het ijzer onder den invloed van dc
werking eens magneets ligt, worden de beide vloeistoffen van elkander gescheiden
of verdeeld; de eene wordt door den magneet aangetrokken, de andere afgestoo-
ten. Plaatst men op eenige duimen afstands van eeue der polen des magneets,
en wel in zijn verlengde, een slaafje yzer, zoo wordt dit inderdaad ook een
magneet, die twee polen en eene middellijn bezit, welke laatste niet in het mid-
den, maar eenigzins nader bij het naar den magneet gekeerde einde ligt.
Laat de horizontaal liggende magneet aü (zie fig. 313) aan zijn eene einde a
Fi(j. 313. het ijzeren staafje c dragen, van zoodanig gewigt,
dat het, een weinig zwaarder zijnde, niet meer door
" fjli den magneet a b zoude opgehouden kunnen worden,
jjll (Wij zullen later hooren, dat elke magneet een zeker
llll bepaald draagvermogen bezit). Nu brengt men boven
^ Ml a b een' anderen magneet «'//', die omtrent hetzelfde
<z '•^••'if) b gewigt kan dragen, maar zoodanig, dat de tegenover-
ü gestelde polen a en elkander toegekeerd zijn. Zoo-
9 dra nu de pool b' die des anderen a nabij is gekomen,
n valt het staafje ijzer van n af Hadde men de met
a gelijknamige pool des tweeden magneets tegen a b
geljragt, zoo zou het slaafje ijzer er nog vaster zijn tegengeklemd geworden, en
nb had bijna dubbeld zooveel ijzer kunnen dragen. Dereden daarvan is deze:
Toen men de ongelijknamige polen b en a tegen elkander bragt, konde er op de
plaats der aanraking der beide magneten zich geene aantrekking meer naar bui-
ten vertoonen, het zuid- en noord-inagnetismus veronzijdigden elkanders wer-
king en bonden elkanders kracht.
Hang aan twee draden (zie fig. 314) ^^^^ stukjes ijzerdraad « b eu a b' van
omtrent J palm naast en tegen elkander. Nader deze met een' vrij sterken mag-
neet A B, en de ijzerdraadjes zullen elkander afstooten. De magneet namelijk
verdeelt de beide magnetische vloeistoffen in de ijzerdraden zoodanig, dat zij die,
welke met dc vloeistof in A aanwezig ongelijksoortig is, naar dc einden b vu b'
24-