Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
verst gevorderde in de natuurwetten kan noch planten noch dieren voortbrengen.
In het delfstofFen-of onbewerktuigde (anorganische) rijk geschiedt de rangschik»
king der inolecnlen weder langs een' anderen weg Hier vormen ook de ligcha-
men regelmatige figuren, maar deze worden door effene gladde oppervlakten be-
grensd. Zulke ligchamen noemt men kristallen. Hiertoe behooren het keuken-
zout, en zelfs alle soorten van zouten; het salpeter, de kandijsuiker, alle edelge-
steenten, zooals de robijn, de diamant, het tourraalijn enz. Om eene stof kristal-
len te doen schieten, moet aan de deeltjes eene vrije werking toegestaan,
en de slof vloeibaar gemaakt, dat is in water of in eene sterk zure vloeistof
opgelost worden. TJit zulk eene oplossing treedt het kristal te voorschijn, wan-
neer men de \ looistof weder langzaam verdampt. Deze werking, dat te voorschijn
treden der kristallen, noemt men kristalliseren, leder kristal heeft zijn' eigen
vorm. Uit dien vorm kent men doorgaans de stof, die gekristalliseerd is, even
als men de bloemen des velds aan hunne kleur en gedaante kent Lost zout op
in water, laat dit water langzaam verdampen, dan zal het steeds venniiHlerende
vocht al het zont niet meer in gesmolten of opgelosten toestand kunnen bivatten:
de zoutdeelen scheiden zich af en vormen daardoor zoutkristallen. Neemt een
lepel vol keukenzout en ook een' met salpeter; lost deze zouten op in laauw water,
bet water blijft helder. Laat dit water op eene warme plaats verdampen, en d'^
beide zouten, die in het water innig verbonden waren, zullen zich weder van
elkander scheiden. Het salpeter zal zich tot langwerpige zuilen en het keuken-
zout tot kuben vereenigen. De kristaKormen worden naar het aantal\lakken,
dat hunne grenzen uitmaakt, benoemd: bij voorbeeld zesvlak, viervlak, achtvlak,
enz. jNIen kan de kristallen, behalve door uitdamping, ook nog doen ontstaan'
door in de eene oplossing eene andere zelfstandigheid te brengen, die de opge-
I ^ loste stof vrij maakt, dewijl het bijgevoegde zich met de eerste vloeistof of het op-
! : lossingsmiddel, tot eene vloeistof verbindt, die het te kristalliseren ligchaam niet
I opgelost kan houden. Zoo kristalliseert het in water opgeloste salpeter, wanneer
J men er wijngeest ingiet, en de in wijngeest opgeloste kamfer, wanneer men
er water inwerpt.
Er zijn nog andere middelen, om het kristalliseren uit de vloeistof te begunsti-
gen, bijvoorbeeld het indompelen van staven eener vaste slof, of, zoo als bij het
vormen der kandijsuiker geschiedt, door draden tloor de oplossing te spannen ;
dit wordt verrigt, omdat de kristallen zich gaarne tegen vaste stoffen afzet-
ten.
Uit de vorming der kristallen blijkt, dat de aantrekking der atomen niet aan
alle zijden gelijksoortig is, dal zij niet toevallig zoo geplaatst worden; het is deze
bijzondere gesteldheid en ligging der atomen, die waarschijnlijk de oorzaak van
die eigenschappen der ligchamen is, waarmede wij ons nog moeten bezig houden.
Ligchamen, die noch aan de natuurlijke oppervlakten, noch aanvlakten, die
wij verkrijgen door ze te breken, kristalvorm doen zien, noemt men amo/p/te,
vormelooze ligchamen.