Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.337
eerst tle Aiuerikaansche kusten, breidt zich meer en meer uit, maar verliest ook
daardoor meer van zijne warmte, en wendt zich oostelijk naar Europa. Al
reikt nu zelfs dit eenigermate verwarmde water niet tot aan de kusten van
Europa, zoo verspreidt het toch zijne warmte, geholpen door den Z. W. wind,
in de Europesche zeeën, hetwelk reeds daaruit blijkbaar wordt, dal somtijds aan
de westelijke kusten van Ierland en Noorwegen boomvruchten aanspoelen, die
in dc heete landen van Amerika wassen. Door dezen golfstroom is dan ook
noordelijk Europa door eene zee, die vrij van ijs is, van het poolijs gescheiden,
terwijl de noordkustcu van Azië bijna altijd aan het ijs der Poolzee verbonden
liggen.
Als laatste oorzaak zonde men nog kunnen vermelden het verdampen der zee en het
smetten van de ontzagwekkende xjsmassaas in het noorden, bij welke verschijnselen,
zooals bekend is, zeer veel warmte gebonden wordt, en waardoor derhalve de
temperatuur van de omgelegene plaatsen moet dalen.
Het is uit het verhandelde duidelijk gebleken, dat de lucht hare verwarming
aan twee oorzaken te danken heeft; vooreerst aan de opneming van een gering ge-
deelte der van de zon afkomende warmtestralen; en ten andere aan een meer aan-
zienlijk deel, dat zij van de oppervlakte der aarde ontvangt, die toch veel sterker
door hare meerdere opzuiging der warmtestralen verwarmd wordt dan de lucht;
waaruit dan ook volgt, dat aau de lucht de meeste warmte van beneden op wordt
toegevoegd.
Brengt men nu hiermede in verhand hetgeen vroeger gezegd is over het door
de warmte soortelijk ligter worden der lucht en haar daaruit voorlvloeijend op-
stijgen, zoo zou men ligtehjk tot de gedachte kunnen komen, dat dit stijgen tot
aan de bovenste grenzen van den dampkring geschiedt, eu dat derhalve de bo-
enste luchtlagen het warmste zijn. Maar wanneer men in aanmerking neemt,
dat de lucht eene veerkrachtige vloeistof is, dat zij bij haar stijgen steeds meer
en meer van de drukking, die zij door de bovenliggende luchtlagen ondergaat,
ontslagen wordt, eu dat zij alzoo bij hare opstijging gestadig grootere ruimte
inneemt, eindelijk, dat zij bij die uitzetting zeer veel warmte bindt en dat der-
halve haar warmtegraad sterk moet afnemen, zoo zal men gereedchjk toestem-
men, dat de bovenste luchtlagen veel kouder zijn dan de benedenste. Dat dit
werkelijk zoo is, hebben wij vernomen, toen er melding is gemaakt vau de koutle,
die Gay Lussac op zijne merkwaardige luchtreis ondervond. Het bleek dien na-
tuuronderzoeker dat, door elkander genomen, de temperatuur op elko 340 e/ ver-
meerdering van hoogte V daalt. Deze opgave is eene middelbare; — want het
ïehoeft schier geene vermelding, dat het afnemen der warmte bij eene bepaalde
•^zing in de lagere luchtgewesten niet gehjk kan zijn aan die afneming in hoogere
uchtlagen; ware dit zoo, men zou dan even goed uit de daling der temperatuur
Ie hoogte van eeneu berg kunnen bepalen, als door middel van den baro-
neter.
Zeer opmerkelijk is het in de berglanden te zien, welk eenen invloed het ver-
24