Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
nB6
Noorwegen, Denemarken, een deel van Bohemen en Hongarijen, Zevenbergen,
Bessarabië en de zuidpunt vau het schiereiland de Krim, eene gelijke gemiddelde
win ter temperatuur van O' hebben; terwijl Bohemen weder eenen gelijken zomer
heeft met den mond der Garonne.
De oorzaak van zulk eene verdeeling der warmte over de aardoppervlakte,
eene verdeeling, die zeer weinig met den afstand der plaatsen van den evenaar,
dat is met hare breedte, overeenstemt, meent men gelegen te zyn :
Vooreerst in de ongelijke verdeeling van land en water op de oppervlakte der
aarde, liet vasteland namelyk neemt de warmte beter op en straalt ze ook
weder spoediger uit dan de zee, die door hare doorschijnendheid en haie groote
vatbaarheid voor de warmte niet zoo snel verwarmd wordt, en ook niet zoo
ligt de wannte weder afgeeft. Hierbij komt, dat aan de kusten der noordelijk
gelegene landen de hemel bijna altijd met nevelen is bedekt, waardoor zoowel
de hitte der zonnestralen in den zomer gematigd, als de uitstraling van den bo-
dem in den winter belemmerd wordt. Het gevolg hiervan is, dat de dagelijk-
sche, zoowel als de jaarhjksche temperatuur aan de kusten meer gelijkvormig
is dau die in het midden van het vasteland, en dat bij de eilanden, schierei-
landen en kusten het verschil tusschen zomer en winter veel geringer moet zijn
dan op het vasteland. Waarin bestaat nu het onderscheid tusschen land- en zee-
klimaat?
Teu tweede in den aard der op eene plaats meest heers diende winden. In de noor-
delijke gematigde luchtstreek komt de zuidwesten en noordoosten wind het me-
nigvuldigst voor. De eerste komt uit de landen, die onder den evenaar lig-
gen en voert dus de warmte, die daar heerscht, naar de koudere lauden. Die
landen zullen derhalve het meest den verwarmendeu invloed van dien zuidwes-
ten wind ondervinden, welke het eerst aan zijne werking zijn blootgesteld. De
westkusten van het groote vastland, en dus de landen in Europa, en de west-
kusten van Noord-Amerika zullen derhalve warmer zijn dan de oostzijde, dat
is het binnenland van Azië eu de oostkusten van Noord-Amerika. Bedenkt
hierbij, dat ten zuiden van Europa, in de heete luchtstreek, geene zee, maar
het uitgebreide Afrika ligt, hetwelk aldaar met kale, en door de loodregt val-
lende stralen der zon bovenmate verhitte zandvlakten bedekt is; terwijl ten zui-
den van Azië eene uitgetrekte zee gevonden wordt, die niet zoo veel warmte
aanneemt als de Afrikaansche woestijn; en dat in het midden van Azië eene zeer
hooge bergketen (het Himalayah gebergte) grootendeels de warme luchtstroo-
men, die uit de keerkringslanden opstijgen, afkeert — en het kan u geene ver-
wondering baren, dat Europa betrekkelijk veel warmer is dan Azië.
Ten derde vindt men eene oorzaak van het verschil der warmte m den zoo-
genaamden golfstroom, dat is, in eene der reeds vroeger vermelde stroomingen
der zee, ten gevolge der ongelijke verwarming, die zij ondergaat. Het water in
de Mexicaansche golf bovenmate verwarmd wordende, stroomt boven over het
koude en meer zwaardere zeewater heen, tusschen Cuba en Florida door, volgt