Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.31
ploffing van eenen vulkaan; vervolgens treedt er rook uit den grond te voor-
schijn, en ten laatste vertoonen er zich vuurvlammen uit de openingen, die er
in de aarde ziju ontstaan. Deze proef kan van de werkingen der vulkanen eeu
zwak denkbeeld geven. Vele geleerden toch nemen aan, dat de uitbarstingen en
aardbevingen plaats hebben, doordien uitgestrekte beddingen zwavelkies (eene
uit bijna geUjke deelen zwavel en yzer bestaande goud- of koperkleurige delf-
stof, die men wel eens als dunne lagen in de steenkolen aantreft) bevochtigd wor-
ilen. Anderen en wel de meesten stellen, en daaronder de geleerde von Huraboldt,
dat de oorsprong vau deze werkzaamheid in het binnenste der aarde moet gezocht
worden, in de met de diepte toenemende temperatuur, in de veelvermogende in-
wendige hitte, welke de aarde aan hare eerste verstijving, aan hare vorming iu
de wereldruimte, dat is, aan de bolvormige zamentrekking der eeumaal vloeibare
stoffen te danken heeft. Wilt gij u met deze schrikverwekkende natuurverschijn-
selen uitvoeriger bekend maken, zoo mogen wij daartoe Humboldts Kosmos aan-
bevelen.
Dat verder de dierlijke warmte ook gedeeltelijk een voortbrengsel is van in-
wendig scheikundige werkingen en dat alzoo het zoogenaamde levensproces eene
rijke bion is van warmte, hiervan is op bladz. 244 gesproken. Wij herhalen
hier kortelijk wat over dit onderwerp aldaar is gezegd. De lucht, die wij in-
ademen, wordt op dezelfde wijze in ons ligchaam veranderd als de lucht, die
tot verbranding gediend heeft. De zuurstof gaat in de beide gevallen tot kool-
zuur over. Even als bij het vuur, heeft ook in onze longen dus eene zekere ver-
branding plaats. Door de spijzen worden onze ligchamen behoorlijk van kool-
slof voorzien, welke in de longen met de zuurstof der ingeademde lucht zich
verbindt, en aldaar verbrandt of oxydeert. Hieruit verklaart het zich ook,
waarom de bewoners der noordelijke landen meer voedsel gebruiken, en wel
bepaald meer spijzen, die koolstof bevatten, dan de bewoners der heele lucht-
streek. Immers de eersten verliezen door dc koude, welke hen omringt, meer
warmte, dan de laatsten; en bij hen moet dus, om met de bewoners der heete
luchtstreek gelijken warmtegraad te behouden, meer koolstof worden aange-
voerd, even als men bij koud weder meer brandslofFen in eenen kagchel moet
werpen, om eene kamer op eenen bepaalden warmlegraad te houden.
Men heeft bevonden, dat de bloedwarmte der vogels grooter is dan die bij
eenige andere diersoort; de duiven, hoenders en kanarievogels bezitten gewoon-
lijk 43 tot 44* C. warmle, de mensch van 36 tot 38', de verdere zoogdieren van
38 tot 40°, de visschen en insekten van 23 tot 25'.
Toepasaingen.
W^at zoude er plaats grijpen, indien hout, olie, turf, enz. bij eene middelma-
tige temperatuur gasvormig werden ?
Waarom dooft een gewoon steenkolenvuur uit, vodr nog de brandstof is ver-
teerd, indien men er niet naar omziet?