Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het kwik, dat men op eene e£fene oppervlakte laat druppelen, loopt in de
gedaante van vaste kogeltjes daarover heen.
Het gesmolten lood, dat men door eene soort van zeef als regen naar beneden
laat vloeijen, koud geworden zijnde, valt onder de gedaante van hagelkorrels
Jieder, waardoor men den bekenden jagthagel verkrijgt.
Sommige vliegende insecten kunnen over het water loopen.
Ken druppel water is bijna dubbel zoo groot als een druppel opium.
Men kan een kopje tot zelfs op 3 of 4 strepen hoogte boven den rand met
water vullen.
Indien men in een glas vol water voorzigtig eenige stukjes geld werpt, zoo
verheft zich de geheele watervlakte boven den rand van het glas en het water
vloeit er niet over heen. Kan dit ook als een bewijs voor de cohesie verstrek-
ken?
ELFDE LES.
Kracht \an zamenhang bij de vaste ligchamen. Kristaliisering.
Een metalen staafje, dik ijzer- of koperdraad kan men slechts met moeite aan
stuk breken. Gemakkelijk zal dit bij eene houten staaf, van gelijke dikte als die
van metaal, of bij eenen draad van katoen, even dik als de koj)eren of ijzeren
draad, kunnen plaats hebben. Dit verschil ontstaat daaruit, dat de cohesie
of kracht van zamenhang tusschen de atomen bij alle stoffen niet dezelfde is,
en de ligging dier atomen evenmin. Deze beide oorzaken werken ook onge-
twijfeld mede, om die rijke verscheidenheid in den toestand der ligchamen
te weeg te brengen, welke ons zoo onontbeerlijk geworden is. Met zekerheid
kan men er evenwel niets van bepalen. In de nasporing van den inwendigen
toestand der ligchamen, de ligging der atomen en hunne werking op elkander
heeft men ook nog niet zeer groote vorderingen gemaakt.
Er is vroeger aangetoond, dat de aggrcgatie-toestand der ligchamen een gevolg
is van de twee natuurkrachten aantrekking ew afstooting der atomen. Bij de vloei-
stoffen de laatstgenoemde kracht inevenwigt zijnde met de eerste, of wel deze
overtreffende, zoo hebben deze stoffen eigentlijk geenen bepaalilen vorm, maar
nemen dien aan van het val, dat haar omsluit. De vaste ligchamen echter heb-
ben eene bqmalde gedaante. Zoo de vaste ligchamen door de natuurkrachten al-
leen die gedaante hebben ontvangen, en ze niet door des menschen hand zijn
vervormd tot allerlei gebruik, dan levert de inwendige toestand der stof, de lig-
ging der moleculen, een bewonderenswaardig zamenstel op. Bij de bewerktuigde,
(organische) schepselen, bij planten en dieren, geschiedt de plaatsing der kleinste
deelen door eene bijzondere bewerktuiging, door eeue levenskracht, wier gron-
dige kennis waarschijnlijk voor den mensch een eeuwig geheim blijven zal. De
lltttt