Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.28
door te weeg gebragte verdigting, welke eene vermindering der warmte capa-
citeit en daardoor een vrij worden der in de ligchamen gebondene warmte ten
gevolge heeft. Deze wijze van opwekking der warmte is ook bekend bij de munt-
slagers : wanneer de stukjes metaal van onder den stempel worden gehaald, zijn
zij niet alleen kleiner, maar ook tevens zeer warm geworden. Een brosse spij-
ker, met den hamer op een aanbeeld sterk geklopt wordende, verkrijgt weldra
eene bijna roodgloeijende hitte. Een bewijs voor de warmte opwekking door stoo-
ten levert ook het percussiepoeder in de slaghoedjes voor de geweren. Ook kan
tot deze afdeeling van verschijnselen gebragt worden, de zelfontbranding der
houtskolen, die in de vrije lucht dikwijls plaats grijpt, vooral wanneer zij voch-
tig is ; ook het gloeijen van de platinaspons in het döbereiner vuurwerktuig;
waarschijnlijk worden deze ontbrandingen veroorzaakt door de verdigting, die
de lucht in deze poreuse ligchamen ondergaat. Reeds vroeger is hiervan mel-
ding gemaakt.
Hebben wij thans gezien, dat wrijven, slijpen, botsen, smeden, boren en zamen-
drukken warmte opwekt, de laatste proef, zoowel als de hitte, die wordt voort-
gebragt door water op ongebluschten kalk te gieten, bewijst, dat er ook warmte
wordt ontwikkeld door scheikundige verbinding. Wordt rookend salpeterzuur,
waarbij een weinig zwavelzuur is gevoegd, in terpentijnolie gegoten, zoo is de
verhitting zoo groot, dat de olie ontvlamt. Bij de scheikundige inwerking van
zwavelzuur op chloorzure potasch ontstaat zoo veel warmte, als noodig is, om
zwavel te doen ontbranden, In al deze gevallen is de warmte ontwikkeling het
gevolg van de plaatshebbende verandering in de digtheid, en daaruit voort-
spruitende vermindering in warmte-capaciteit der ligchamen.
Eene scheikundige werking, die bijna al de warmte verschaft, welke voor de
verschillende doeleinden in het leven kunstmatig wordt opgewekt en dienstbaar
gemaakt, is de verbranding. Hierdoor verstaat men gewoonlijk de onder warm te-
en lichtontwikkeling scheikundige verbinding van de zuurstof met andere lig-
chamen. Veel is er reeds in de 37ste les over de verbranding bij de beschou-
wing der zuurstof gezegd. Dat wij de verbranding eener gewone vetkaars nog
eens met opmerkzaamheid waarnemen, en daardoor zamenvatten, wat er vroe-
ger reeds over dit verschijnsel is aangevoerd.
Eerst wordt de kaars genoegzaam verwarmd, om het vet in gassen te doen
overgaan, en opdat dit langzamerhand zoude gebeuren, dient de pit, in welke
men steeds kleine blaasjes ziet opstijgen ; de ontleding van het gas geschiedt in
de donkere kern (beneden D fig. 307), die men midden in de vlam ontdekt; de
daarin begrepene waterstof en kool, kunnen met de lucht niet onmiddehjk in
aanraking komen. De lucht, die tot deze inwendige stoffen van onder naar boven
toestroomt, verbrandt eerst de waterstof; terwijl de kooldeeltjes, tot gloeijing
gebragt wordende, als lichtende ligchaampjes in de vlam zweven en zeer de
warmte bevorderen; de verbranding der waterstof geschiedt in het eigentlijk
lichtende gedeelte D die der kool heeft plaats in het blaauwachtig, flaauw