Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
de dauw de plauteu besproeide. Eu hoeveel draagt hij ook niet na eenen heeteii
zomerdag bij tot verkwikking en verlevendiging der gewassen.
En hoe onstaat nu dit natuurverschijnsel? — Men weet, dat de lucht altijd
met dampen is bezet; dat dit vooral na eenen heeten zomerdag het geval is. Na
den ondergang der zon verliezen de voorwerpen nabij de oppervlakte der aarde
hunne warmte, doordien zij deze naar het uitspansel uitstralen. De benedenste
luchtlagen worden daardoor kouder, en de dampen, die zij bevatten, nederge-
slagen, dat is tot druppels verdikt. Dewijl nu alle stoffen, gelgk wij hebben aan-
getoond, de warmte niet even sterk uitstralen, zoo zal men zeker wel kunnen
verklaren, waarom des morgens het gras, de bladeren van bloemen en planten,
enz. veel meer met dauw bedekt zijn dan steenen of zand. Indien men gedurende
een helderen zomernacht eene plaat van glas en eene gepolijste metalen plaat in
het opene veld legt, zoo zal men des morgens de eerste veel meer met dauw be-
dekt vinden dan de laatste; waarom?
Het is verder duidelijk, dat de dauw te minder sterk zal worden, naarmate
het verschil in warmte tusschen de lucht eu de gewassen, die de oppervlakte der
aarde bedekken, geringer is; want hierdoor zullen de dampen in eene mindere
mate worden verdikt. Van daar dan ooV, dat kort na zonsondergang de dauw het
sterkst zijn zal; de lucht is dan toch het meest met dampen bezwangerd, en de
verkoeling der gewassen vangt het sterkst aan. Tegen middernacht is het ver-
schil tusschen de temperatuur van de lucht en den aardbodem merkelijk kleiner
en de dauw is dus minder overvloedig. Waarom zal het nu kort na den opgang
der zon op nieuw weder sterk dauwen ? Het valt ook thans niet moeijelijk te ver-
klaren, waarom het in heldere nachten sterker dauwt, dan wanneer de lucht des nachts
betrokken en met wolken overlogen is. Het tegenstrijdige, dat hierin voor den on-
nadenkende is gelegen, valt aanstonds weg, zoo men slechts bedenkt, dat de
wolken het uitstralen der warmtestof naar den hemel beletten. Evenmin kan het
bezwaar opleveren om te verklaren, waarom de dauw op heuvels of hooggelegene
plaatsen minder sterk is dan in de dalen of laag liggende landstreken. Men
bedenke hierbij, dat de benedenste luchtlagen, of die welke op de aarde rusten,
door de uitstraling der planten veel sterker worden afgekoeld dan die lucht-
lagen, welke zich hooger boven de aarde bevinden.
In de verklaring van dit natuurverschijnsel, dat de natuurkundigen langen
tijd niet naar behooren konden toelichten, vindt men weder een bewijs, hoezeer
het onderzoek naar de eigenschappen der ligchamen de kennis van de oorzaak
der verschijnselen, die zich voor ons oog in de natuur opdoen, begunstigt; thans,
sedert de wetten der stralende warmte ontdekt zijn, kent meu ook de oorzaak
van den dauw.
Toepassingen.
Waarom kan men de tegen muren geleide vruchtboomen, dooreen afdakje van
slechts weinige palmen breedte, langen tijd tegen vorst beschermen ?