Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.322
ven, zoo trad bij eene bepaalde stelling eene sterke afwijking der bekende mag-
neetnaald in; bij verder voortscbuiven van T verdwijnt eerst bijna de geheele
werking, terwijl vervolgens de afwijking op nieuw plaats grij()t.
De buiging der warmte wordt uit het verschijnsel afgeleid, dat warmtestralen,
die door eene smalle spleet geleid worden, zich, even als het licht, achter deze
spleet in eene grootere ruimte uitbreiden dan plaats kon grijpen, indien zij na
den doorgang door de spleet alleen in regtlijnige rigting voortgingen.
Uit al de hier aangehaalde daadzaken, mag meu afleiden, dat zich tusschen
licht en warmte de grootste overeenstemming doet zien, en dat deze laatste dus
ook het gevolg van trillingen des ethers is, hoewel aan den anderen kant zich
weder verschijuselen opdoen, die met deze vooronderstelling niet in overeen-
stemming zijn te brengen.
Na alzoo het merkwaardigste over de verspreiding en straling der warmte te
hebben medegedeeld, moeten wij nog van eeu paar bijzouderheden, met betrek-
king tot hetgeen zich te dezen aanzien op onze aarde opdoet, gewag maken.
Gy hebt gezien, dat de warmtestof zich. voortdurend gelijkelijk tracht ie versprei-
den. Zij is dus altijd in beweging, en deelt zich of door leiding van het eene aan
het andere ligchaamsdeeltje mede, of doet zulks door uitstraling. Ook de aarde,
de planeet, die wij bewonen, maakt hierop geene uitzondering: even als een bal,
die, in de lucht opgehangen zijnde, zijne warmte naar alle zijden uitstraalt, zoo
straalt derhalve ook de aarde, die in het onmetelijk wereldruim wentelt, hare
warmte gestadig uit. Indien meu eeu thermometer gedurende den nacht in het
brandpunt plaatst van een' hollen brandspiegel, die met de opening naar den
helderen hemel is gewend, zoo zakt deze beneden de temperatuur der omringende
lucht, eu hieruit volgt, dat de aarde meer warmte uitstraalt dan de stralende
warmte des dampkrings eu des hemels in plaats kan geven, en dat bijgevolg in
heldere nachten de aarde meer warmte afgeeft dan zij verkrijgt. Op deze wijze
ontdekte Melloni zeer onlangs, door zijn thermo-multiplicator, dat ook de maan
warmte aan de aarde geeft. En wat is nu de oorzaak dat de aardbol niet dien
graad van warmte verliest, welke tot onderhoud vau planten en diereu noodig is?
De eerste dier oorzaken is de oorspronkelijke warmte der aarde, die zij thans
nog op eene groote diepte bezit, die zeker bij hare inwendige deelen de hitte van
gesmolten ijzer overtreft, en die zich van tijd tot tijd door de aarde verspreidt.
De tweede is de warmte der zon, en de derde is de scheikundige aantrekking der ligcha-
meu of de inwerking van het eene ligchaam op het andere. Wij zullen aangaande
deze drie warmtebronnen in eene volgende les nog het een en ander mededeelen.
De tweede bijzonderheid betreft een natuurverschijnsel, dat alleen zijn beslaan
te danken heeft aan de warmte-uitslraling vau de aardoppervlakte.
Wij bedoelen den heilzamen dauw, waarvan vroeger reeds gewag werd ge-
maakt; wij noemen hem heilzaam, want hij is in menig opzigt onontbeerlijk.
Het zoude in de landen der heete luchtstreek treurig genoeg gesteld zijn, in geval
iu plaats vau den regen, dien zij doorgaans gedurende langen tijd missen, niet