Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Sit
mige, eil het meest vermogend bij de vaste ligchamen. Van daar die groote be-
wegelijkheid van Uicht en water, dat zelden rustige, dat veranderen van toestand
bij de minste aanraking. Zoo zijn de luchtdeeltjes, die ons omringen, door
onze gedurige bewegingen nooit in rust; zoo ziet men het water bij het gering-
ste windje in golving. Dat niettemin de aantrekking der atomen, hoe gei-ing
dan ook, bij de vloeistoffen in het algemeen bestaat, blijkt duidelijk uit het-
gene ik vroeger van de ondoordringbaarheid en poreusheid heb gezegd.
Waarom de aantrekking der luchtdeeltjes zeer moeijelijk kan aangetoond wor-
den, en waarom men zelfs nu en dan tot het denkbeeld zou overhellen, dat er
alleen afstooting en geene aantrekking tusschen de gas-atomen bestaat, zult gij
nader vernemen, als wij de lucht meer opzettelijk beschouwen. Toch moet
er ook bij de veérkrachtige vloeistoffen een aantrekkend vermogen aanwezig
zijn: dit blijkt daaruit, dat twee luchtsoorten, waarvan de eene op de andere
drijft, even als olie op water, bij voorbeeld, waterstoflucht en koolzure lucht,
met welke luchtsoorten ik u later zal bekend maken, zich na eenigen tijd onder
elkander vermengen, indien men haar in twee in gemeenschap staande vaten
boveii elkander plaatst: de laatste, de zwaarste, is voor een gedeelte naar boven,
en de ligtste naar beneden gegaan. De luchtdeelen moeten dus elkander hebben
aangetrokken.
Bij de drupvormige vloeistoffen valt het gemakkelijker aantetoonen, dat de
atomen werkelijk elkander aantrekken. Wanneermen een vocht langzaam uit
een vat laat loopen, valt het uiet als zand of stof naar beueden, maar in drup-
pels, die verschillend zijn in grootte, naar mate de deeltjes elkander sterker
aantrekken. Van daar dat een druppel olie of stroop veel grooter is dan een drup-
pel wijngeest. Evenzeer blijkt deze aantrekking in de dauw- of regendruppels,
die op een blad liggen, of aan eenen boomtak hangen, en iu de gemakkelijke
vereeniging dezer druppels tot een geheel. De ronde gedaante dezer druppels
is een gevolg van de volmaakte bewegelijkheid en naar alle zijden heen gelijk
sterke aantrekking der atomen. Verbeeldt u, dat een der atomen zich regt iu
het midden eens waterdruppels bevintle. Hieromheen zullen zich aan alle zijden
eenige andere hechten, om die weder meerdere, enz., en daar het eene niets krach-
tiger aantrekt dan het andere, zoo voegen zij zich van zelf rondom het middelste
waterdeeltje; men moge nu door schudden of aanraken het bolletje in beweging
brengen en andere atomen in het midden doen treden, de ronde vorm moet
dezelfde blijven. Ziedaar ook de reden, waarom de aarde eene ronde gedaante
moest aannemen, tnen de Almagtige haar in het niet te voorschijn riep, eii toen
zij, zooals uit hare inwendige gesteldheid is op te maken, zich in eenen vloei-
baren toestand bevond. Op dit onderwerp zullen wij later terugkomen.
Toepassingen.
Het water rolt als parelen over de vleugels der watervogels.