Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
SlO
VIER EN ZESTIGSTE LES.
Over de verspreiding der warmte door geleiding en door
uitstraling. Breking, buiging, polarisatie en dubbele
breking der warmtestralen.
Zeker heeft men wel eens moeten opmerken, dat eene metalen staaf of een
draad, met het eene euide in het vuur gelegd zijnde, aan het andere einde weldra
zoo heet wordt, dat men er de hand niet kan aanhouden; maar dat daarentegen
een stuk hout, op dezelfde wijze aan het vuur blootgesteld zijnde, aan het tegen-
overgestelde einde niet zóó heet wordt, of men kan het nog altijd iu de hand hou-
den; dat men des winters bij zeer koud weder niet gaarne ijzer in de hand neemt,
terwijl de koude vau hout ons volstrekt niet hindert, niettegenstaande beide stof-
fen zich in de opene lucht bevinden, en dus denzelfden warmtegraad hebben. Wat
is dus de oorzaak dezer verschillende uitwerkselen? Het kan geene andere zijn,
dan dat de warmte, die de deeltjes van het aan eene warmtebron blootgestelde lig-
chaam aan het eene eind ontvangen, zich over de naastliggende deeltjes verspreidt,
van deze laatste weder over de aangrenzende, enz. tot aan het andere einde toe;
terwijl uit de bovengenoemde waarnemingen verder voortvloeit, dat de voort-
planting der warmte van het eene stofdeeltje op het andere bij het eene ligchaam
spoedig, bij het andere traag geschiedt. De eerste soort van ligchamen nu noemt
men goede warmtegeleiders: tot deze behooren het ijzer eu alle metalen; de laatste
soort geeft men den naam van slechte warmtegeleiders: daaronder rangschikt men
het hout en alle poreuse stoffen.
Omdat op het verschillend geleidend vermogen der in soort onderscheidene
ligchamen zeer vele verschijnselen in het dagelijksche leven berusten, gelijk
aanstonds zal blijken, zoo heeft men het van belang geacht, om hieromtrent
nadere onderzoekingen te doen. Ten einde aan te toonen, hoe ongelijk het gelei-
dend vermogen van verschillende vaste ligchamen is, heeft Ingenhousz het vol-
gende middel uitgedacht.
In eeuen der zijwanden van eene vierkante blikken doos worden in daartoe
bestemde gaten, in eene horizontale rigting, staafjes gestoken van verschillende
stoffen, maar juist van dezelfde dikte en lengte, en die aan het uit het bakje
stekende einde raet eene dunne laag was bedekt zijn. Wanneer men nu heete olie
in de doos giet, tot dat de binnenwaarts liggende einden onder het vocht staan,
zoo deelt zich de warmte van de heete olie aan de staven mede. Nemen wy aan, dat
een staafje van koper, een van ijzer, een derde van lood, een vierde van glas en een
vijfde van hout zij; zoo zal de waslaag van de koperen staaf door de van de olie
verkregene warmte reeds aan het eind gesmolten zijn, terwijl bij de andere stagen
dat smelten nog niet ver gevorderd is; het koper is dns onder deze vijf zelfstan-