Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.09
neemt weldra de temperatuur van O* aan. Het water, waarin hij het ijs heeft doen
overgaan, is opgevangen door de kraan e, terwijl het water, dat zich in a mogt
gevormd hebben, door de kraan d wegvloeit.
Neemt aan, dat de kogel door de 100' warmte, die hij is kwijt geraakt, 0,3
pond ijs heeft gesmolten, hetgeen men natuurlijk uit het door e opgevangene
water kan kennen. Om 1 pond ijs tot water van O* te doen overgaan, heeft men
79 warm te-eenheden noodig, dus behoeft men om 3 ons ijs in water van O* te
veranderen, slechts 0,3 X 79 = 23,7 warm te-eenheden. Deze 23,7 warmte-
eenheden ontving het water van 2 pond ijzer, dus vau 1 pond 11,85 warmte-
eenheden. Bij gevolg zijn er omgekeerd 11,85 warm te-eenheden noodig, om 1
pond ijzer 100' te verhitten, en slechts 0,1185 om het 1* in warmte te doen
toenemen. En hieruit ziet men dat, ten ruwste genomen, 0,1185 de warmte-
capaciteit van yzer is.
Er is nog eene derde wijze, om de soortelijke warmte te bepalen; deze berust
op den tijd, dien een ligchaam behoeft om tot op zekeren graad te verkoelen. Wij
gaan deze echter zonder verdere verklaring voorbij.
Wij voegen hier nog bij, dat de soortelijke warmte van een en hetzelfde ligchaam
niet altijd dezelfde is, maar dat zij verandert naarmate de digtheid eenige verande
ring ondergaat. Hoe digter het ligchaam wordt, hoe minder vatbaarheid hel voor de
warmte schijnt te verkrijgen. Dit loopt vooral bij de koolstof in het oog: de foor-
telijke warmte van houtskolen is bijna die van steenkolen ^ en die van diamant
bijna zij neemt dus met de digtheid af.
Nog is het volgende eene proefondervindelijk bewezene waarheid: de specifieke
warmte der ligchamen neemt voor hoogere warmtegraden toe, dat wil zeggen, de
ligchamen hebben bij eene groote hitte meer warmtestof noodig, om een' graad
heeter te worden, dan wanneer zij koud zijn. Is er ook eenig verband in deze en
de voorgaande waarheid te vinden? Het water maakt hierop eene uitzondering:
dit heeft bij alle graden dezelfde soortelijke warmte. Men kan de verschillende
vatbaarheid der ligchamen voor de warmtestof niet toeschrijven aau den ver-
schillenden graad van digtheid der ligchamen. Dit moge bij voorbeeld wel door
kwik en water schijn van waarheid verkrijgen, bij olie en water en meer stoffen
is het toch zoo niet.
Teu slotte merken wij nog aan, dat het water onder alle vaste ligchamen eu
vochten de grootste warmte-capaciteit bezit. Daardoor zijn dan ook de wateren,
die eengrootdeel der aardkorst bedekken, zulke rijke voorraadkamers van warmte,
en geven zij gedurende den nacht voortdurend warmte aan den dampkring ,
wanneer de ajirdbodem, wiens warmte-capaciteit slechts omtrent 0,25 van die des
waters bedraagt, reeds lang tot beneden de temperatuur des atmospheers is
afgekoeld Daardoor verklaart zich ook de reeds vroeger vermelde luchtstroo-
ming, die gedurende den nacht van het land naar de zee plaats vindt, en de
verzachtende invloed, welken de zeeën op het klimaat der aan haar grenzende
landen uitoefenen.