Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.08
dat 200 wigtjes platina 80" warmte hebben afgegeven, om 105 wigtjes water
5' te verwarmen. Wij kunnen ons nu de warmte in elk wigtje platina of water
gelijkelijk verdeeld denken: 200 wigtjes platina gaven 80° warmte af, of 16000
wigtjes r warmte; maar 105 wigtjes water ontvingen daardoor 5' of 525 wigtjes
1'; dezelfde hoeveelheid warmte, die er dus noodig was, om 16000 wigtjes 1*
te verwarmen, is voldoende, om 525 wigtjes water T warmer te maken. Dus is
ruw genomen de soortelijke warmte van het platina i-s^Tir = 0,0328.
Om de warmte-capaciteit van verschillende ligchamen te leeren kennen, was
de bovengenoemde wijze (mengingsmethode), waarhij men de ligchamen eerst
tot eenen zekeren graad verhitte en ze dan met elkander vermengde, niet de
eenige; men slaat daartoe ook nog eenen anderen weg in.
Er is gezegd, dat de warmte, die een pond water van 79' afgeeft, in staat is,
om 1 pond ijs te smelten; bij de beschouwing der gebondene warmte was dit eene
onzer eerste proeven. Welnu, dit ijssmellen geeft een middel aan de hand, om
de specifieke warmte der ligchamen te bepalen. De toestel daartoe dienende is
uitgevonden door Lavoisier en Laplace.
Hij bestaat uit drie blikken bakken a, b en c (zie fig. 303), van welke de
Fig, 303. grootste a den^middelsten b
omsluit, en deze weder den
kleinsten c, die uit gevlochten
raadwerk bestaat. De ruimte
tusschen den buitensten en
middelsten bak, de ruimte
aa, is met stukken ijs ge\'uld,
alsmede de ruimte 66, tusschen
den middelsten en binnensten
bak; ook het deksel is met ijs
bedekt.
Stelt nu eens, men wil de
specifieke warmte van ijzer
bepalen. Daartoe werpt men
een stuk ijzer, welks zwaarte
men kent (stelt een' kogel
van twee pond), eerst in een
tot zekeren graad verwarmd
vocht, bij voorbeeld olie van 100', en laat er het ligchaam denzelfden warmte-
graad in verkrijgen; vervolgens neemt men de beide deksels van den binnensten
en buitensten bak af, en legt in eerstgenoemden (c) den kogel van 100 graden
warmte, waarna men alles weder zeer spoedig sluit. Het heete ligchaam doet nu
door de warmte, die het afgeeft, het ijs in de ruimte 6 smelten. De bui ten liggende
warmte kan hiertoe niets bijdragen, want al het ijs in 6 is door de ijslaag, die het
van rondom omringt, van alle omliggende voorwerpen afgesloten. De ijzeren bol