Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.507
Om dus het water eenen graad in warmte te doen rijzen, is er 33maal meer
warmtestof noodig dan om het kwik 1' warmer te makeu, en 8 maal meer dan
om het ijzer 1* te verwarmen. Het water kan dus, om zoo te zeggen, meer warmte
in zich plaatsen dan kwik of ijzer, eu yzer weder meer dan kwik, om eene zekere
verhooging van temperatuur aan te wijzen. Men drukt deze eigenschap uit door
te zeggen: het water bezit meer vatbaarheid {capaciteit) voor de warmte dan het ijzer
of kwik.
Vooral komt het verschil iu warmte-capaciteit hij de genoemde ligchamen
duidelijk uit, indien men ze beide over een even slerk vuur verwarmt. Het water
heeft alsdan 33maal längeren tijd noodig, om 1'verwarmd te worden, dan het
kwik. Zet men twee vaten, het eene met een pond water, het andere met een pond
terpentijnolie gevuld, uaast elkander, elk over eene even sterke wijngeestvlam,
zoo bemerkt men, door middel van den thermometer, dat de olie veel spoediger
in hitte toeneemt dan het water, en dat het laatste bijna 2maal längeren tijd
behoeft, om 1* warmer te worden, dan het eerstgenoemde vocht. Dc vatbaar-
heid van het water voor de warmte is dus ongeveer 2maal zoo groot als die
vau terpentijnolie.
De verschillende vatbaarheid voor de warmte van in soort onderscheidene ligcha-
men noemt men de soortelijke of specifieke warmte der ligchamen. Door een getal,
dat aanwijst, welke warmte-capaciteit eene stof bezit in vergelijking van die des
waters, wijst men de soortelijke of specifieke warmte van die stof aan, en be-
schouwt dan, zooals reeds meermalen gezegd is, de hoeveelheid warmte, die er
noodig is om 1 pond water 1 graad te verwarmen, als de eenheid. Zoo is dan
de soortelijke warmte van
water 1,0000 antimonium 0,0508 messing 0,0939
ijs 0,5138 tin 0,0569 terpentijnolie 0,4259
ijzer 0,1138 platina 0,0324 zwavelzuur 0,3350
zink 0,0955 goud 0,0324 salpeterzuur 0,6610
koper 0,0951 zwavel 0,2026 lijnolie 0,5260
zilver 0,0570 kool 0,2411 olijfolie 0,5040
lood 0,0314 kwikzilver 0,0333 alkohol 0,6588
bismuth 0,0308 glas 0,1977 zwavelether 0,5158
Men ziet uit deze tafel, dat bij voorbeeld eene hoeveelheid lood, welker tempe-
ratuur 1 graad daalt, zooveel warmte verliest als er noodig is, om de temperatuur
van even veel water slechts 0,0314' te verhoogen.
Men behoeft juist niet, zoo als bij de bovenvermelde proefnemingen is ge-
schied, bij de vermenging van in warmte en stof verschillende ligchamen een
van beiden tot O' af te koelen. Een voorbeeld moge dit ophelderen.
Neemt aan dat een kogel van platina, wegende 200 wigtjes en tot 100* ver-
warmd zijnde, in een bakje wordt geworpen, dat 105 wigtjes water van 15*
warmte inhoudt, en dat men, na het kogeltje zich behoorlijk heeft afgekoeld,
bevindt, dat het water en dus ook de kogel 20'warmte bezit; dan is het duidelijk.