Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
SOS
wel werkelijk geheel ledig zijn? Zoo neen, waarom heeft dit geenen invloed op
den stand van den barometer?
Waarom neemt een stuk kamfer, dat niet besloten is, van tijd tot tijd in
omvang af?
Ondergaan kamfer, muskus, vlugge oliën en al zulke stoffen, die in flesschen
bewaard worden, geeue andere drukking dan die der lucht, welke zich in de
flesch bevindt?
DRIE EN ZESTIGSTE LES.
Yalbaarheid der ligchamen voor de warmtestof. Specifieke
warmte. Het meten van de hoeveelheid warmtestof.
Indien men in een pond water, afgekoeld tot 0% één pond kwikzilver giet, dat
verhit is tot op 68", zal het mengsel geene 34' warmte verkrijgen, zooals het
geval zoude geweest zijn, indien bij het koude water even zooveel waler\a\\ 68'
ware gegoten, maar de in het vocht geplaatste thermometer zal slechts 2' warmte
aanwijzen. Keert men de proef om, door water van 68' en kwik van O' te nemen,
van ieder één pond, zoo beviudt men na de vermenging, dat de thermometer 66'
wijst. — Wanneer men twee ponden water, het eene van O', het andere van 36'
ouder elkander mengt, zal het mengsel 18' teekeneu; dit is bekend. Doch neemt
men nu in plaats van het warme water 1 pond ijzer van 36' en werpt dit in het
koude water, zoo wijst de thermometer Keert men de zaken weder om, en
doet men 1 pond ijzer van 0' in water van 36', de thermometer zal dan hierin
32' aanwijzen. Dit zijn verschijnselen, die wel eene nadere overweging verdienen.
Bij de eerste proef gaf het kwikzilver 66' warmte af, om het water slechts 2'
te verhoogen. In het tweede geval gaf het warme water slechts 2' af, om het
kwik 66' te verhoogen. Wat bewijst dit? Dat het w^ter veel meer warmte noodig
heeft, om een graad in hitte toe te nemen dan het kwik, en wel 33maal zoo veel.
Immers wij zien uit deze proef, dat dezelfde hoeveelheid warmte, welke genoeg-
zaam was, om het kwik 66' te verhitten, het water slechts 2' verwarmde; dus
behoeft het laatste 33maal meer warmtestof dau het kwik, om ook 66' in warmte
toe te nemen. Bij de tweede proef bleek, dat 2' vermindering der warmte van
het water het vermogen bezat, om de warmte van het kwik 66'te verhoogen.
Iedere graad verlies aan warmte van het water vermogt dus 33maal meer op het
kwik, dan elke graad verlies aan warmte vau dit laatste op het water. Bij de
derde proef verloor het warme ijzer 32' en het water won er slechts 4' door; bij
het vierde onderzoek verloor het water 4* cn het ijzer won 32'. Dit bewijst dat
1* verlies van warmte van het water 8 maal meer vermogt, dan 1' verlies van
warmte van het ijzer.