Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
^Oo
Fig. 302.
die den bol a het digtste omringt; daardoor moet de tem-
peratuur dier lucht, eu in gelijke mate het kwikzilver in
den bevochtigden thermometer a dalen, en wel des te ster-
ker, hoe verder de hoeveelheid der in deze luchtlaag aan-
wezig geweest zijnde dampen van het verzadigingspunt bij
die temperatuur verwijderd was ; de gezegde luchtlaag
zal vau den oogenblik af aan, waarop dit verzadigingspunt
bereikt is, eene onveranderlijke temperatuur behouden,
welke onveranderlijkheid gedeeltelijk aan de vorming van
nieuwe dampen, gedeeltelijk aan de daarbij plaats grijpende
daling der luchttemperatuur toe te schrijven is; deze onver-
anderlijke temperatuur is lager dan die der lucht, welke
zich rondom de digtst aan a liggende luchtlaag bevindt,
en die dus ook c omringt. Deze waarheden maken het dui-
delijk, waarom de thermometer c hooger staat dan a, en
daar de lucht meer water opneemt, naarmate zij meer warmte afgeeft tot be-
vordering der verdamping, zoo mag men stellen, dat de hoeveelheid water, die
de lucht opneemt, ongeveer evenredig is aan het verschil in temperatuur der
beide thermometers. Tafels, bestemd om de digtheid en spankracht der dam-
pen bij verschillende temperaturen te kennen, zijn bij deze waarnemingen on-
ontbeerlijk. Er zijn onderscheidene soorten van hygrometers; de beschrevene moge
dienen, om een denkbeeld van de inrigting dier werktuigen te verkrijgen.
Door dergelijke toestellen is het mogelijk geweest, om aangaande de vochtigheid
van den dampkring in verschillende oorden, op verschillende tijden van den dag
en in verschillende jaargetijden, waarnemingen te doen. Uit deze waarne-
miogen is gebleken, 1* dat daar, waar de warmte het grootste is, dus in de
heete luchtstreek, ook de in de lucht aanwezige waterdamp het grootste is;
2' dat op gelijken afstand van de evennachtslijn de waterdamp boven de zee
grooter is dan die boven het land, en aan de kusten van het land weder grooter
dan in de binnenlanden; 3' dat de vochtigheid des dampkrings vermindert,
naarmate men zich hooger boven de aardoppervlakte verheft; 4' dat er des
zomers meer dampen in de lucht aanwezig zijn dan des winters; 5° dat des
morgens met den opgang der zon de dampen zich in de lucht vermeerderen,
maar tegen 9 ure nabij de aardoppervlakte verminderen, om des middags
weder te vermeerderen. Van dit laatste kan men deze verklaring geven: des
morgens te 9 ure wordt de aardbodem reeds zeer warm; de lucht neemt deze
warmte over, stijgt naar boven en voert in dezen stroom de dampen met zich
mede. Waarom worden tegen den avond de dampen nu weder menigvuldiger.'
Toepassingen.
Zou het torricellische ledige of de ruimte boven het kwik van den barometer