Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.504
Waren de dampen, even als vele der in soortelijk gewigt verschillende vochten,
alleen aan de wetten der zwaarte kracht onderworpen, en plaatsten zij zich dus,
even als olie op water of water op kwik, hoven op de soortelijk zwaardere lucht-
soorten, dan stegen de dampen, welke zich op de aardoppervlakte vormen, uit
hoofde van hunne ligtheid naar boven tot aan de uiterste grenzen van den
dampkring, en daar de verdamping beneden steeds zou voortduren, zou einde-
lijk al het water der aarde boven op den dampkring zweven.
De lucht is alzoo altijd met dampen beladen. Dit wordt gemakkelijk bewezen
door eeue vaste stof in de atmospherische lucht sterk te verkoelen, want dan
wordt deze met eene laag waterdruppels of dauw bedekt, bij vrieskoude bestaat deze
laag uit eene soort van sneeuw of rijp. Dewijl nu de verdamping in de lucht
geheel volgens dezelfde wetten geschiedt als die in het torricellische ledige (zie
fig. 299), zoo zal bijgevolg de lucht uit het water der aarde, waarmede zij ge-
stadig in aanraking is, bij verschillende warmtegraden ook verschillende^hoe-
veelhedeuj waterdamp opnemen en wel hoogsten zoo veel, tot zij bij de plaatsheb-
bende temperatuur met damp verzadigd is. De verhouding, die er bestaat, tus-
sehen de hoeveelheid water, welke werkelijk aan een of ander oord op een
bepaald tijdstip in de lucht voorhanden is, en die, welke er hoogstens bij de
l>e5taande temperatuur in zijn konde, noemt men den vochtigheidstoestand der
lucht; het meten of bepalen van dien vochtigheidstoestand heet hygrometrie, en
de werktuigen, welke daartoe dienen, noemt men hygrometers. Wij willen
slechts eenen hygrometer oppervlakkig beschrijven: een grondig indringen in de
zaak zoude ons te ver afleiden.
Het beginsel, waarop de zamenstelling van dien hygrometer berust, is ver-
vat iu de volgende reeds bekende waarheid : wanneer er vocht in eene met lucht
gevulde ruimte aanwezig is, zal dit verdampen, en de warmte, die tot'de damp-
vorming noodig is, aan de lucht ontnemen; met andere woorden: de lucht zal
door de verdamping kouder worden ; terwijl de koude dus toeneemt, neemt ook
de vochtigheid toe, en wel tot dat er zooveel vocht zich in de lucht bevindt, tot
deze bij dien lagen warmtegraad er mede verzadigd is.
Het werktuig is, zoo als het werd verbeterd door den berlijnschen geleerde
August, wiens naam het ook draagt, in fig. 302 in zijn' eenvoudigsten vorm af-
gebeeld. Het bestaat uit 2 thermometers a en c, die door een' enkelen toestel
worden gedragen, zeer gevoelig zijn en met elkander volmaakt overeenstemmen.
Gewoonlijk zijn die thermometers benevens de schalen in eene wijderen glazen
buis besloten, die aan den bol is vastgesmolten. Bij den eenen thermometer is de
bol a door een moesselienen lapje omsloten, dat door een schoteltje b met schoon
water vochtig gehouden wordt. De onderstelling, waarvan men bij het gebruik
van dit werktuig uitgaat, is deze: het water, waarmede de bol a voortdurend nat
gehouden wordt, verdampt, wanneer de omringende lucht niet met dampen
verzadigd is, i66 lang, tot deze laatste dat verzadigingspunt bereikt heeft; de
lot die dampvorming benoodigde warmte wordt aan de luchtlaag onttrokken,