Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
523
fVc

Het is eene algemeene waarheid, dat, wanneer verschillende gassoorten indezelfde
ruimte worden gebragt, zij zich allen gelijkvormig door dc geheele ruimte verspreiden,
en dat de drukking van het gasmengsel alsdan gelijk is aan de som der drukkingen,
welke iedere gassoort zou hebben te weeg gebragt, indien zij elk voor zich alleen de
ruimte hadde gevuld.
Om het eerste gedeelte dezer waarheid duidelijk te doen zien, neemt men een
werktuig (zie fig. 301), bestaande uit twee glazen vaten (a en e), die door eene
buis d met elkander gemeenschap hebben. Het eene (a) vult men met waterstof-
F' 301 15 maaïligter is dan de dampkringslucht
(zie bladz. 243); in het andere glas e doet men koolzuurgas,
dat omtrent maal de zwaarte van de dampkringslucht heeft
(zie bladz. 254)- Beide luchtsoorten zijn door kranen t eu c vau
elkander afgesloten. Na deze nu geopend te hebben, vindt men na
eenigen tijd de beide luchten vermengd (zie bladz. 280). De helft
van het waterstofgas is niettegenstaande zijne ligtheid naar be-
neden , en de helft vau het koolzure gas naar boven gegaan.
Het bewijs voor het tweede gedeelte der stelling zou ons te ver
afleiden.
Even als met de beide bovengenoemde gassoorten is het ook
gesteld met andere gassoorten en ook met dampen.
Ifanneer men in eene met gas gevulde ruimte eenig vocht brengt,
zoo vormen zich in deze ruimte even zooveel dampen als in het luchtledige, en
de drukking is dan weder de som van het uitzettingsvermogen van het gas en
den verzadigden damp te zamen. Laat ons dit door een voorbeeld ophelderen.
Vooronderstelt eens, dat meu in eene ruimte groot 1700 kub. palm, waarinde
lucht tot 100' verhit was, eu eene drukking uitoefende van 103 pond per vierk,
palm, een pond water bragt, dan zou dit in de ruimte geheel verdampen en deze
met damp verzadigd zyn; maar damp van 100' drukt op elke vierk. palm ook met
eene kracht van 103 pond; derhalve zal na die verdamping elke vierk. palm door
2 dampkringsdrukkingen, dat is door 206 pond, gedrukt worden.
Het verdient hier te worden vermeld, waarom men gewoon is uit het dalen
van den barometer regen te voorspellen. Opi)ervlakkig beschouwd zou men mee-
nen, dat de drukking der bovenmatig vochtige lucht het kwik in de lange buis
naar boven moest voeren. De reden vindt men iu het bovenstaande. Bij den
gewonen warmtegraad en gemiddelde luchtdrukking is (zie voorg, bladz,,) het
soortelijk gewigt van de lucht omtrent een derde meer dan die van dampvor-
mig water. Dewijl er nu in den zeer bewegelijken dampkring, wiens deelen allen
gemeenschap met elkander hebben, altijd evenwigt moet bestaan, zoo zet
de lucht, met damp beladen zijnde, zich meer uit, ten einde met de omliggende
drooge lucht gelijke spanning te bezitten ; zij wordt dus daardoor ijler dan de
drooge lucht, drukt minder op het kwik in het open been van den barometer en
staat toe, dat de kwikkolom daalt.