Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.486
j»raelteu in zich heeft opgenomen, verborgen, vastgelegd, daar het geen spoor er
van aan den thermometer verraadt» Gij ziet, dat er dus warmte is, die zich in
het ligchaam bindt, zich aan geen thermometer mededeelt; men noemt deze ge-
bondene warmte.
Het was de natuurkundige Black, de vriend van den bekenden James Watt,
die het eerst in het jaar 1763 de aandacht der geleerden op de gebondene warmte
bepaalde. Vroeger is reeds vermeld, hoe ook daarin weder des Scheppers wijs-
heid doorblinkt. (Zie bladz. 215).
Wij hebben alzoo gezien, dat alle warmte, welke er bij eene temperatuurs-
vermindering van 79' uit een pond water ontwijkt, aangewend wordt, om een
pond ijs vloeibaar te maken, zonder dat het schijnbaar in warmte toeneemt; dat
er derhalve om 1 pond ijs van 0° tot water van O' te doen overgaan even veel
warmte noodig is, als om water van O graden 79' warmer te maken. Werkelijk,
wanneer men ijs boven vuur smelt, bhjft de daarin gedompelde thermometer zoo
lang op O* staan, tot al het ijs gesmolten is; daarna gaat hij eerst rijzen. Dat het ijs
gedurende dit smelten op eene onmerkbare wijze warmte heeft opgenomen, heeft
de proef bewezen. Op dergelijke wijze is het nu met alle smeltende ligchamen
gesteld. Stelt eens, men heeft gehjke hoeveelheden gesmolten en ongesmolten tni,
beiden van 230' (op deze temperatuur smelt het tin). Wanneer men deze beide
stoffen met twee gelijke hoeveelheden even koud water vermengt, deelen zij het
water niet evenveel warmte mede; het wordt door het gesmolten tin veel warmer
gemaakt dan door het ongesmoltene. Het eerste had veel meer warmte vastge-
legd dan het laatste, want het bond, bij het smelten, 270 warmteëenheden of
270 maal zooveel warmte, als er noodig is om water 1 graad in temperatuur te
doen rijzen. Die 270 eenheden warmte gaf de thermometer evenmin aan als de
75' van het water.
Er is dus werkelijk warmte in de ligchamen aanwezig, die niet door den ther-
mometer kan ontdekt worden. Dit werktuig geeft dus al de warmte, die erin
een ligchaam voorhanden is, niet aan; het doet slechts zien of de in het ligchaam
zich bevindende warmte toe- of afneemt; de geheele hoeveelheid warmte, die de
stof in zich sluit, leert de thermometer evenmin kennen, als door eenen koker,
die in een stroomend water uitkomt, en dienen moet om het rijzen en dalen van
het water kenbaar te maken, de diepte van den stroom wordt aangegeven. De
thermometer kau dus ook niet dienen, om duidelijk te maken, dat er in een vat
water van eene zekere temperatuur veel meer warmtestof aanwezig is, dan in
eene kan van dit vocht, dat dezelfde warmte heeft.
Wij zullen later eenen anderen maatstaf leeren kennen, waarmede de gebon-
dene warmte bepaald wordt.
Niet één ligchaam gaat er alzoo tot vocht over, of de thermometer moet eene
bepaalde hoogte bereikt hebben, en blijft daarop staan tot de geheele hoeveelheid
gesmolten is. Men noemt die hoogte het smeltpunt der stof.
De volgende tafel geeft het smeltpunt van eenige stoffen aan;