Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.484
Waarom moet een vat, dat des winters geheel met eene vloeistof gevuld wordt,
des zomers vaneen barsten.
Zou het voordeelig kunnen zijn, om des winters de vloeistoffeiï in te koopen,
en des zomers te verkoopen ?
Hoe kunt gij de strooming verklaren, die vau de kusten van Afrika naar die
van Zuid-Amerika gaat, in de West-Indische zee rondloopt en die onder den
naam van Golfstroom door den Noord-Atlantischen Oceaan zich van Noord-Ame-
rika naar Europa begeeft?
Ten einde de mijuen van versehe lucht te voorzien, is het genoeg om groote
vuren boven aan den ingang te branden. Verklaart dit eens !
EEN EN ZESTIGSTE LES.
Over de verandering in den aggregatie- of zanienliangs.
toestand, die de ligchamen door de warmte onder-
gaan en over de aanwending van dampen.
Iu niet een natuurverschijnsel straalt de veel vermogende invloed der warmte
meer door, dan in den overgang van de vaste ligchamen tot den staat van vocht,
bijv. van ys tot water, hetgeen men smelten noemt, en in dien van vocht tot damp
of tot den luchtvormigen toestand, bijv. van water tot stoom, dat ouder den naam
van verdampen bekend is. Geene andere kracht dau zij, is in staat zulk eene
werking voort te brengen. Meu kan ijs, ijzer, glas, enz. breken, tot poeder stoo-
ten of vijlen, men kan op die ligchamen duizend andere werktuigelijke krachten
doen werken — zij zullen zonder warmte niet vloeibaar worden. Wij hebben
reeds de warmte als de oorzaak dier schoone verscheidenheid van vaste, drup-
vormig3 en gasvormige lichamen, welke iu de natuur wordt aangetroffen, leeren
kennen; immers wij zagen reeds vroeger, dat sommige zelfstandigheden zoo
weinig warmte bezitten, dat zij vast zijn, bij voorbeeld de metalen, steenen,
enz.; dat andere genoeg warmtestof hebben, om vloeibaar te blijven, als olie,
kwik enz. en weder andere eene hoeveelheid warmte bezitten, genoegzaam om
hen in den luchtvormigen staat te houden, als zuurstof, stikstof, enz. Is het
waar, dat met het aanmerkelijk vermeerderen of verminderen van den afstand
eens ligchaams tot de zon, ook de warmte af- of toeneemt, dan zou, zoo onze
aarde tot op eenen zekeren afstand verder vau de zon verwijderd ware, de zee
vast zijn, en geen vocht het dieren- en plantenleven onderhouden; ware zij tot
op zekeren afstand digter bij die hoofdbron der warmte, dan zouden de meeste
metalen vloeibaar zijn en evenzeer alles eene andere gedaante verkrygen.
Het is eene schier bewezene waarheid, dat alle vaste ligchamen vloeibaar
zouden kunnen gemaakt worden, indien men slechts daartoe over genoegzame