Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.30
Toepassing.
Men moet voor een zwaar gebouw zeer stevige grondslagen leggen.
De zolders van pakhuizen moeten niet te zeer bezwaard worden.
Er wonen op de aarde menschen onder ons (tegenvoeters). Zij rekenen het
onder en boven even als wij.
De druppels, die aan de boomtakken of andere voorwerpen hangen, zijn lang-
werpig, hoewel zij volgens het vroeger verklaarde rond moesten zijn.
Om nieuw te bouwen huizen loodregt op de aardoppervlakte te doen rusten,
moet men bij het opmetselen der muren een schietlood gebruiken.
Waarop berust het gebruik van den, door metselaars, steenhouwers en tim-
merlieden dikwerf gebezigd wordende, houten driehoek, aan een van welks hoeken
men een schietlood heeft bevestigd, dat gewoonhjk in eene uitholing van het
plankje hangt.
NEGENDE LES.
De traagheid der ligchamen.
Wij beginnen met het doen eener proeve. Boven op den hals eener flesch, legt
men een nieuw kaarteblad, en daar boven op, juist over de opening der flesch,
een stukje geld. Nu geeft men met den vinger eenen sterken stoot tegen het
kaarteblad. — Het blad vliegt onder het geldstukje weg, en dit laatste valt in de
flesch. W^at mag hiervan de oorzaak zijn? — De beantwoording dier vraag
leidt ons van zelf tot de behandeling van de algemeene eigenschap der ligcha-
men, die wij het laatst genoemd hebben.
Hier ligt een bal; — niemand meent, dat hij zijne plaats zal verlaten, zoolang
er geene kracht is, die op hem werkt? Niet een voorwerp toch zal uit zich zelf
in beweging geraken; — wij zijn er van overtuigd, dat alle ligchamen eeuwig
zouden blijven rusten, indien er geene krachten optraden, die hen in hunne
rust stoorden. Nooit heeft een steen zich zeiven van de rots losgerukt; nooit
heeft er een zich zeiven uit de diepte der aarde opgeheven; niet een ligchaam
wordt uit zich zelf hard, zacht, warm, koud of vloeibaar; nietéén vervliegt
uit zich zelf in damp of gaat tot stof over. Bij al die bewegingen zijn krach-
ten noodig. Aardbevingen, watervloeden, ophooping van warmte, invloetl van
de dampkringslucht, ziedaar zoovele oorzaken, die al deze veranderingen kun-
nen lot stand brengen.
Dat onvermogen nu, dit volmaakt lijdelijke der stof is bekend onder den naam
van de traa^/ieirf der ligchamen; eene eigenschap, die ons in eenige der volgende
lessen, bij de verklaring van vele natuurverschijnselen, gewigtige diensten zal
bewijzen. De naam traagheid is niet zeer gepast; geen ligchaam toch kan men
regtstreeks traag noemen.