Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.477
haar vervolgens, door het vat in smeltend ijs of in sneeuw te zetten, tot op 0%
giet er daarna al het vocht uit,datzich nog boven het streepje a bevindt, weegt
nu op nieuw het gevulde vat, zonder het van temperatuur te doen veranderen,
en trekt van dit gewigt dat van het vat af; hierdoor kent men de zwaarte der
te onderzoekene vloeistof op O' ; stelt deze zij 50 wigtjes. Nu verwarmt men
het vocht tot bij voorbeeld op 100'; het gevolg daarvan is, dat het zich uitzet,
tot boven het punt a klimt, cn weder een gedeelte van den trechter vult. Al
hetgeen thans in dezen laatste staat, giet men er op nieuw uit, en weegt het
gevulde vat ten tweeden male ; neemt aan, dat thans het gewigt der vloeistof al-
leen zij 48 wigtjes; zoo is zij 2 wigtjes in zwaarte afgenomen en zij zet zich
dus -s-l of yf van hare uitgebreid bij O' uit. Dit heeft eene nadere verklaring
noodig.
Vooronderstelt eens, dat men na de verwarming op nieuw de vloeistof tot O'
afkoelt, wat zal dan het geval zijn ? — immers dit, dat de vloeistof zoover onder
a daalt, tot er de 2 wigtjes weder bij kunnen gevoegd worden, die men heeft
weggegoten. De 48 wigtjes vocht van O', thans in het vat aanwezig, zullen zich,
wanneer zij tot 100' verwarmd worden, zoo ver uitzetten, dat zij weder de le-
dige plaats van die 2 wigtjes beneden het punt a innemen, en bij gevolg van
hare uitgebreidheid bij O' zijn uitgezet. Op deze wijze verkrijgt men nu de
schijnbare uitzetting ; de ware wordt gevonden, indieu men bij de scbijubare nog
de vergrooting van den inhoud van het glas voegt.
Het gedane onderzoek heeft zooveel overeenkomst met de wijze, waarop men
op aanmerkelijke diepte onder den grond, bij voorbeeld in de artesische putten,
den warmtegraad leert kennen, dat ik het niet ongepast oordeel, hiervan met
een enkel woord melding te maken. Men neemt eene kwikthermometer-buis,
die van boven open is, en plaatst haar in water, dat eene temperatuur bezit
beneden die, welke men bij het onderzoek te verwachten heeft. Stelt dat het wa-
ter 20' warmte heeft; meu zorgt nu, dat de buis bij deze temperatuur geheel ge-
vuld is, en laat haar indieu toestand iu de diepte af. Het kwikzilver zich uit-
zettende loopt thans uit de buis weg, eu deze is bij het ophalen dus niet meer
gevuld. Men plaatst haar op nieuw iu water van 20*. Stelt, dat de kwikkolom
thans 15' beneden het uiteinde der buis staat, zoo is het klaar, dat zij by eene
temperatuur van 20' —15* weder geheel zal gevuld ziju; deze warmtegraad is
dus ook die, welke op het punt heerscht, tot waar men het werktuig afliet, de
temperatuur is dus daar 35*. Is er boven aau de buis eene zakvormige ruimte
aangebragt, waarin het uitvloeijende kwikzilver zich kan verzamelen, zoo is
het werktuig veel bruikbaarder en ook geschikt, om de temperatuur op verschil-
lende diepten der zee te onderzoekeu.
De meeste vochten zetten zich tusschen O en 100' niet, zooals de vaste lig-
chamen, regelmatig uit. Hiervan levert het water een merkwaardig voorbeeld
op (zie bladz. 138). Het is hier de plaats, om dit verschijnsel iets nader te
beschouwen.