Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
afstajideii. — Juist zoo lieeft meu het door proefnemingen ook met de zwaarte-
kracht bevonden. Hoe nader de stoffen bij elkander liggen, hoe meer aantrek-
king er wordt uitgeoefend; worden de afstanden grooter, zoo neemt de aantrek-
king af op eene wijze, die ik u thans zal verklaren.
Bevinden zich twee ligchamen op 1 el afstands van elkander, en trekken
zij elkander dan met zekere kracht aan, zoo zal, op den afstand van 2 el,
deze kracht het vierde deel der eerste, op den afstand van 3 el hei negende, op
die van 4 el het zestiende gedeelte der eerste kracht bedragen, enz. Als
men een getal met zich zelf vermenigvuldigt, noemt men het komende pro-
duct het vierkant van het getal. Gij ziet derhalve, dat de aantrekkingskracht
in dezelfde reden afneemt, als de vierkanten der afstanden toenemen. De kennis dier
waarheid zijn wij aan den grooten Newton verschuldigd. Eens in den hof wan-
delende, werd hij dooreen' appel, die van een' derboomeu viel, op het hoofd ge-
troffen; niets ongewoons voorzeker, maar dat juist toen zijne bijzondere aan-
dacht trok. Hij wist zeer goed, dat van dit verschijnsel de zwaartekracht alleen
de oorzaak was, doch thans vorschte hij die kracht verder na. Zou die appel
ook gevallen zijn, dacht hij, indien de boom eens aanmerkelijk veel hoogerware
geweest? — Wat reden zou hij hebben, om daaraan te twijfelen? Maar, indien
de top des booms eens tot aan de maan reikte, hoe zou het er dan mede gesteld
zijn? Die vraag kon hij niet aanstonds beantwoorden; zij gaf hem aanleiding
hierover na te denken, en weldra vond hij de bovengenoemde schoone wet ten
aanzien der zwaartekracht. Behalve de rijke gevolgen, welke uit deze natuurwet
voortvloeijen, en waarvan ik u later eenige der gewigtigste zal mededeelen, volgt
er onmiddellijk uit, dat de ligchamen op zekeren afstand van de aarde minder
zwaar zullen zijn dan op hare oppervlakte; proefnemingen toonen dit ook aan.
Dat wij eens berekenen, hoe zwaar een ligchaam van 10000 pond op den Dha-
walagiri, den hoogsten berg der aarde, zal wegen. Wij vinden in aardrijkskun-
dige werken, dat de Dliawalagirl 8640 el of bijna uur hoog is, en dat de as of
middellijn der aarde 2292, dus de straal of halve middellijn 1146 uren lang is.
Een ligchaam, dat op de oppervlakte der aarde gewogen wordt, bevindt zich
derhalve op II4G uren of eenen straal afstands van het middelj)untdes aardbols, in
welk punt wij toch alleen de zwaartekracht moeten vooronderstellen. De top van
den Dhawalagiri ligt, zooals gemakkelijk te zien is, op van den aardstraal af
stands van het middelpunt. Daar nu X ItïtV zoo verkrijgen
Wij, indien deze breuk in 10000 pond wordt gedeeld, eene hoeveelheid van 9976
pond; zoodat de 10000 pond op den Dhawalagiri omtrent 24 pond aan gewigt
heeft verloren. —Het verschil is derhalve op zulk eene verbazende boogie nog
zoo gering, dat men deze kracht in de nabijheid van de oppervlakte der aarde
bij gewone weging veilig als gehjkwerkend kan beschouwen. — Nog eene toe-
passing! — De maan bevindt zich op 60 stralen der aarde afstands van ons. Een
ligchaam, dat dus op den afstand der maan 1 pond weegt, zal op onze aarde
60 X 60 — 3600 pond wegen.