Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
het gewigt eener hoeveellieid zuiver water aangenomen, welke begrepen kan
worden in een bakje, ter grootte van een' kubieken duim. Deze eenheid of
maatstaf heet wigtje of grammcy en 1000 wigtjes, of het gewigt van eene ku-
bieke palm gezuiverd water, noemt men jiond. — Dit is de onveranderlijke
maat, waarmede meu de zwaarte en digtheid der ligchamen kan vergelijken. Het
wegen is derhalve het middel, om door de zwaartekracht de digtheid der ver-
schillende stoffen te bepalen.
Men heeft tafels vervaardigd, waarin men het gewigt van eene kubieke palm
van verschillende stoffen kan vinden, en noemt dat gewigt het soortelijke gewigt
der stoffen, omdat men namelijk daaraan kan herkennen tot welke soort het
behoort. Eene kubieke i)alra zuiver water als een pond aannemende, vindt men
voor eene kubieke palm ijzer bijna 8 pond, lood ruim 11,6, goud ruim 19,
eikenhout 0,76 pond, de lucht, waarin wij leven, ruim 1 wigtje 2 korrels, zoo-
dat deze stoffen aldus in digtheid volgen: lucht, hout, water, ijzer, lood, goud-
Ik zal u in de tweede afdeeling het soortelijke gewigt van een aantal bekende stof-
fen en tevens de wijze, waarop men dit vinden kan, mededeelen, daar deze ken-
nis voor eiken ambachtsmanTïn kunstenaar van veel gewigt is.
Het verdient opmerking, dat de aantrekking der aarde zich niet alleen aan
hare oppervlakte doet kennen, maar dat ook iu diepe putten, aardholen en mij-
nen, even als hier, de ligchamen \allen tot zoolang zij den grond raken, en,
wat meer is, altijd in dezelfde rigting; niet nu eens regts, dan weder links,
maar altijd naar het middelpunt der aarde. Indien men een stuk lood aan eene
koord gebonden, vrij laat nederhangen, zoo zal natuurlijk de strak gespannen
koord de rigting aangeven, waarin het lood naar de aarde wordt getrokken.
Zulk een werktuig noemt men schietlood en is in vele bedrijven van groot nut.
Waar men nu ook het schiet- of paslood ophangt, aan welk oord, en op welke
diepte, het zal altijd blijken, dat de kooid, indien zij in de rigting, die zij aan-
neemt, konde worden\erlengd, door het middelpunt der aarde zoude gaan. In
dat punt schijnt zich dus al die kracht te vereenigen.
Op eene aanmerkelijke diepte evenwel moeten ook de bovengelegene aarddee-
leniets aantrekken. Werkelijk liceft men ook bevonden, dat een ligchaam op
zekere diepte onder de oppervlakte der aarde reeds iets aan gewigt verliest.
Konde men eenen put graven tot door het middelj>unt der aarde, men zou ont-
dekken, dat een ligchaam wel tot over dat punt dalen, maar vervolgens na eenige
slingeringen daar blijven hangen zoude.
De zwaartekracht verandert uiet alleen met de massa, gelijk boven is gezegd,
maar ook met den afstand, dien de ligchamen van de aarde hebben.
Eenige voorbeelden zullen dit verklaren.
Wanneer men digt bij het vuur staat, ontwaart men de werkiitg der warmte
beter, dan als men er ver van af is?— Indien men een boek op eene el afstands
van het licht houdt, kan men veel beter zien te lezen, dan dat men het er 4 el
van verwijdert. Het vuur en licht werken dus sterker op kleine dan op groote