Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
45S
hetgipsblaadje, in het door den analyseur doorgelaten licht, de aanvullingskleur
heeft van die in het door hem teruggekaatste licht. Gebruikt men in plaats van
den analyseur een dubbelspaath kristal, dan ziet men twee gipshlaadjes, voorzien
van elkanders aanvullingskleur. De verklaring hiervan kan niet moeijelijk vallen;
men weet toch, dat de rigtingen der slingeringsvlakken van de gewone en buiten-
gewone stralen zich tot elkander verhouden, als die van het teruggekaatste en
doorgelatene licht bij den analyseur.
Thans willen wij nog kortelijk de kleurenringen beschouwen, welke in gepolari"
seerd licht bij een-assige kristallen ontstaan. Indien men een plaatje van kalkspaath
maakt, door de stompe hoeken n en o (zie Hg. 266) loodr^^ op de as n o weg te
slijpen, zoodat de beide evenwijdige vlakken uw en ev (zie fig. 276), die hetbe-
276 grenzen, in de rigting r 5, fig.
266 loodregt op de as no staan,
en men houdt dit plaatje tuwv,
door middel van de toermalijn-
tang, fig. 26B, tusschen twee toer-
malijnplaatjes P en Q gekneld,
van welke een, bij voorbeeld Q,
zeer nabij het oog wordt gebragt,
zoo ontdekt men gekleurde rin-
gen, wanneer men door deze drie-
dubbele laag naar den helderen
hemel ziet. Worden de assen mn en m' n des toermalijns zóó gesteld, dat zij
elkander loodregt kruisen, zoo ontstaan er gelijkmiddelpuntige kleurenringen
met een zwart kruis doorsneden (zie fig. 277). Plaatst men de assen mnenm'n'
evenwijdig aan elkander, zoo doen zich dezelfde ringen zien, maar met kleuren,
die de complementaire der eerste zijn, terwijl in plaats van het zwarte kruis
een wit is gekomen (zie fig. 278). Indien men twee nicolsche prismaas in plaats
Fig. 277.
Fig. 278.
der toermalijn-platen stelt, wordende
kleuren veel levendiger en zuiverder.
Men verklaart dit lichtverschijnsel op
de volgende wijze. Het voor Q geplaatste
oog, fig. 276, ontvangt een lichtkegel,
waarvan de spits het oog zelf is, en
welks as k l met de optische as r o van
het dubbelspaath kristal u w zamenvalt.
De lichtstralen, welke in de rigting dieras door het kalkspaath kristal heen gaan,
worden niet dubbel gebroken (zie blz. 44?) en ondergaan ook geene verandering
van den polarisatie-toestand, waarin zij door de toermalijnplaat gebragt zijn. Deze
straal k l, wiens trillingsvlak door de lijnen mn en rs gaat, kan dus door het
plaatje Q niet heen dringen, het is eveneens of de kalkspaath laag er niet ware.
Die stralen van den lichtkegel, welke zeer nabij de optische as r o van het dub-