Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
us
draten, enz. begrensd zijn, heeten eenvoudige vormen, en zulke, waarbij de om-
grenzing door ongelijknamige vlakken wordt uitgemaakt, heeten zamengestelde
gedaanten. Alle gedaanten worden gewoonlijk uit slechts zeven grondvormen afgeleid.
Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de kristallen hunne regelmatige ge-
daanten ontvangen door eene zekere ordelijke aaneensluiting der kleinste dee-
len, die door het geheele kristal plaats grijpt; wij voegen hier nog bij, dat
deze zich duidelijk daardoor verraadt, dat zich verscheidene kristallen volgens
zekere rigtingen in deelen laten splitsen, die ook op de breuk door gladde vlak-
ken begrensd zijn en van welke vlakken vóór de splijting dikwijls geen spoor
kenbaar was. Deze deeling geschiedt door eenvoudig op het kristal te slaan,
of door middel van een' dunnen scherpen beitel of een mes. De gladde vlakken
op de breuk noemt men splijtingsvlakken, en de rigting, volgens welke die splij-
ting geschiedt, of in het algemeen deze toestaat, heet splijtingsrigting. Zulke
rigtingen zijn er in een en hetzelfde kristal somtijds 1 tot 6 en meer; zij zijn
dikwerf aan strepen of barsten kenbaar. Zet men nu die verdeeling, ten minste
volgens drie rigtingen, werkelijk of denkbeeldig aanhoudend voort, zoo verkrijgt
men eindelijk vormen, die alleen door splijtingsvlakken begrensd zijn, welke
men splijtingsvormen noemt, en die bij voortgezette verdeeling steeds kleiner
wordende, wel van dien oorspronkelijken vorm aanmerkeiyk kunnen verschil-
len, maar toch altijd regelmatig blijven. De grootste der splijtingsvormen
noemt men de kemgedaante of kemvorm. Men kent tot dusverre slechts zes dier
kerngedaanten. Zooveel over de kristallen, — thans gaan wij eenige hunner
eigenschappen met betrekking tot de breking en polarisatie des lichts in voor-
weging nemen.
Er is op bladz, 423 reeds gezegd, dat (zie fig.239 ) de trillingen van de
etherdeelen, die de voortplanting van gewoon licht te weeg brengen, loodregt
op den straal A B, en wel in alle mogelijke rigtingen, dus in een vlak CD, ge-
schieden. Bij fig. 240 is duidelijk gemaakt, wanneer men een' lichtstraal gepo-
lariseerd noemt; wij zeiden toen, dat bij regtlijnig gepolariseerd licht de tril-
lingen in een enkel vlak CD geschieden, dat overlangs door de voortplantings-
Tx^iin^AB gaat, en daaruit is ons duidelijk geworden, dat EF het vlak van
polarisatie en C D het slingeringsvlak genoemd wordt van den gepolariseerden
lichtstraal A B. Het polarisatievlak staat dus altijd bij regtlijnig gepolariseerd
licht loodregt op het slingervlak. Volgens deze aanwijzingen kan men dus zeggen,
dat gewoon licht in alle mogelijke rigtingen gepolariseerd is, want welk vlak men
ook over de lengte door de voortplantingsrigting AB brengen moge, altijd ligt
daarin een stelsel van loodregt op AB staande trillingen. Maar wij hebben in
de zestiende les geleerd, dat een stelsel van krachten, 't welk op een zeker punt
eens ligchaams in verschillende rigtingen werkzaam is, altijd tot een zeker
aantal anderen kan herleid worden. Hierdoor wordt het mogelijk om de ether-
trillingen in eene gestelde rigting in twee anderen te ontbinden, die bij voorb
loodregt op elkander staan. Stel daartoe, dat c (zie fig. 256) het punt is, waar